ECLI:NL:RBZWB:2026:1

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
25/799
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en geschil over voorwaarden

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 5 januari 2026, in de zaak tussen eiseres en het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking de Bevelanden, wordt de toekenning van een vervoersvoorziening op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) beoordeeld. Eiseres, een 64-jarige vrouw met de ziekte van Raynaud, is het niet eens met de voorwaarden van de vervoersvoorziening die haar is toegekend. De rechtbank behandelt de beroepsgronden van eiseres en komt tot de conclusie dat de toekenning van de Canta, een gesloten buitenwagen, onder de voorwaarden van maximaal 5.000 kilometers per jaar, voldoende tegemoetkomt aan haar lokale vervoersbehoefte. Eiseres had eerder meer kilometers mogen rijden, maar de rechtbank oordeelt dat de nieuwe voorwaarden redelijk zijn en dat er geen noodzaak is voor een hogere kilometervergoeding.

De rechtbank legt uit dat de Bevelanden bij de toekenning van de Canta rekening heeft gehouden met de regionale vervoersbehoefte en dat de voorwaarden in lijn zijn met de beleidsregels. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij meer kilometers nodig heeft dan de toegekende 5.000 per jaar. De rechtbank wijst ook het beroep op het vertrouwensbeginsel af, omdat er geen toezeggingen zijn gedaan die eiseres redelijkerwijs mocht verwachten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/799 WMO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.J. Brosius),
en
Het dagelijks bestuur van gemeenschappelijke regeling Samenwerking de Bevelanden, de Bevelanden
(gemachtigde: mr. A.G. van Binnendijk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiseres is het niet eens met de voorwaarden van de vervoersvoorziening en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toekenning van de vervoersvoorziening onder de gestelde voorwaarden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat met de toekenning onder de gestelde voorwaarden (ruim) voldoende tegemoet is gekomen aan de lokale vervoersbehoefte van eiseres. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een vervoersmaatwerkvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen. De Bevelanden heeft deze aanvraag met het besluit van 13 augustus 2024 onder een aantal voorwaarden toegekend. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de Bevelanden bij de toekenning onder die voorwaarden gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Bevelanden.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is een 64-jarige vrouw, bekend met onder andere de ziekte van Raynaud. Door deze aandoening ervaart zij verminderd gevoel, stijfheid en pijnklachten aan de handen. Door deze klachten is buitenvervoer met een scootmobiel voor haar niet mogelijk. In 2007 is aan eiseres voor het eerst een gesloten buitenwagen (Canta) toegekend. In 2012 en 2019 is opnieuw een Canta in bruikleen aan eiseres toegekend. Met deze Canta mocht eiseres 7.500 kilometers per jaar rijden met een meerprijs van € 0,19 per extra gereden kilometer.
3.1.
In september 2023 neemt de [leverancier] contact op met de Bevelanden over het vervangen van de Canta. Daarbij laat de leverancier weten dat eiseres bovengemiddeld veel kilometers rijdt, te weten ruim 30.000 kilometer in vier jaar tijd. In de nieuwe bruikleenovereenkomst wordt bepaald dat er maximaal 5.000 kilometer per jaar gereden mag worden met een meerprijs van € 0,30 per extra gereden kilometer. Op die manier gaat de Canta volgens de leverancier langer mee en is er minder onderhoud nodig.
3.2.
Op de daaropvolgende aanvraag van eiseres kent de Bevelanden per 10 juli 2024 de Canta in bruikleen toe onder de voorwaarden van de bruikleenovereenkomst (primair besluit). Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingediend, waarna de Bevelanden na ontvangst van advies van de bezwarencommissie is overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit.
Standpunt van de Bevelanden
4. De Bevelanden heeft zich op het standpunt gesteld dat met de toekenning van de Canta voor 5.000 km per jaar voldoende is tegemoetgekomen aan de regionale vervoersbehoefte van eiseres. Daarbij heeft de Bevelanden verwezen naar de beleidsregels waarin is opgenomen dat de regionale vervoersbehoefte ziet op het gebied van 15 tot 30 kilometer rondom het woonadres en dat voor de vervoersmaatwerkvoorziening uitgegaan wordt van maximaal 2.000 kilometer per jaar. Door een maximaal aantal kilometers van 5.000 kilometer per jaar hanteren is hiervan reeds in het voordeel van eiseres afgeweken. In het geval van eiseres is niet gebleken dat er regionaal meer dan 5.000 kilometer per jaar moet worden afgelegd. In de woonplaats van eiseres zijn voorzieningen en supermarkten op korte afstand te bereiken. Het maximale aantal kilometers wordt adequaat geacht voor eiseres. Voor bovenregionaal vervoer kan gebruik gemaakt worden van het vervoerssysteem Valys. Verder kan eiseres geen rechten ontlenen aan de omstandigheid dat zij in het verleden meer kilometers mocht rijden. Het gaat om een nieuwe aanvraag, beoordeling en besluit. Ook is er geen reden voor de Bevelanden om de meerkosten per kilometer te vergoeden, nu er geen noodzaak is voor eiseres om het maximaal aantal kilometers te overschrijden.
Beroepsgronden
5. Eiseres heeft aangevoerd dat het leveren van maatwerk ten onrechte niet centraal staat in het bestreden besluit. Er is geen rekening gehouden met de verwachtingen die eiseres uit het oorspronkelijke besluit en de daaropvolgende verlengingsbesluiten mocht hebben. Eiseres wordt geconfronteerd met stevige beperkingen in het gebruik van de voorziening, zonder dat kenbaar rekening is gehouden met de specifieke omstandigheden van haar geval. Eiseres is volledig aangewezen op vervoer met de Canta, zij kan geen gebruik maken van collectief vervoer. Daarnaast is het besluit onzorgvuldig genomen, omdat er geen medisch onderzoek is gedaan. Ten aanzien van de meerprijs voor extra kilometers heeft de Bevelanden onvoldoende onderhandeld met de leverancier. De consequenties daarvan worden ten onrechte bij eiseres gelegd.
Toetsingskader
6. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo blijkt dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. [1]
6.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoud van het geschil
7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vanwege haar medische aandoening een vervoersvoorziening nodig heeft en dat zij hierbij is aangewezen op een gesloten buitenwagen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de voorwaarden van de bruikleenovereenkomst ten aanzien van het maximaal aantal kilometers per jaar en de meerprijs per extra gereden kilometer passend zijn voor eiseres.
Voorwaarden van de bruikleenovereenkomst
8. De rechtbank overweegt dat een maatwerkvoorziening voor vervoer voldoende passend is als deze lokaal verplaatsen mogelijk maakt. [2] Uit de jurisprudentie blijkt onder het begrip ‘lokaal verplaatsen’ een afstand van 15 tot 20 kilometer vanaf de woning wordt aangehouden. [3] Uit artikel 5 van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2023 - Vervoers- en rolstoelvoorzieningen van Gemeenschappelijke Regeling de Bevelanden (Beleidsregels) blijkt dat de Bevelanden voor de lokale vervoersbehoefte uitgaat van een gebied van 15 tot 30 kilometer rondom het woonadres.
8.1.
Uit vaste rechtspraak [4] volgt ook dat de toekenning van een vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen die neerkomt op een aflegbare afstand in de bandbreedte van ongeveer 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar, in beginsel toereikend wordt geacht om de betrokkene in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. In de beleidsregels van de Bevelanden is opgenomen dat bij een maatwerkvoorziening uitgegaan wordt van een maximum van 2.000 kilometer per jaar.
8.2.
Verder is van belang dat de compensatieplicht van het college zich beperkt tot de lokale vervoersbehoefte van eiseres. Het college hoeft in principe geen voorziening te bieden voor een bovenregionale vervoersbehoefte. [5]
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat de toekenning van de Canta voor 5.000 kilometer per jaar ruim voorziet in de lokale vervoersbehoefte van eiseres. Het is aan eiseres om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat zij een hogere vervoersbehoefte heeft. [6] Daarbij is wel van belang of er een objectieve noodzaak is voor de overschrijding van het aantal kilometers of dat dit het gevolg is van een eigen keuze. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij een hogere (lokale) vervoersbehoefte dan 5.000 kilometer per jaar heeft. Dat eiseres zelf keuzes maakt waardoor zij meer kilometers rijdt, kan daarom niet tot een ander oordeel leiden. Voor zover eiseres de Canta gebruikt voor bovenlokaal/-regionaal vervoer, bijvoorbeeld om het graf van haar moeder in Middelburg te bezoeken, merkt de rechtbank op dat dit niet valt onder de reikwijdte Wmo en de compensatieplicht van de Bevelanden. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de toegekende vervoersvoorziening onder de gestelde voorwaarden voldoende in staat wordt gesteld om sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag.
8.4.
Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat voor het nemen van het bestreden besluit medisch onderzoek noodzakelijk was. Het is immers niet in geschil dat eiseres vanwege haar medische aandoening de Canta nodig heeft voor haar lokale vervoersbehoefte. Of Valys of ander collectief vervoer een voor eiseres passende voorziening is voor bovenlokaal/-regionaal vervoer, ligt hier niet ter beoordeling voor.
8.5.
Ten aanzien van de meerprijs per extra gereden kilometer stelt de rechtbank voorop dat het college niet gehouden is om meer te verstrekken dan wat nodig is om in de lokale vervoersbehoefte te voorzien. In het geval dat eiseres toch meer kilometers rijdt, wordt aansluiting gezocht bij het tarief dat de leverancier rekent aan het college. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit een zodanig onredelijk tarief is, dat dit niet mag worden doorbelast aan eiseres.
Vertrouwensbeginsel
9. Ten slotte heeft eiseres zich beroepen op schending van het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep daarop is in de eerste plaats vereist dat eiseres aannemelijk maakt dat van de kant van De Bevelanden toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid. [7]
9.1.
Niet is gebleken dat aan eiseres toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan op basis waarvan zij redelijkerwijs mocht verwachten dat de vervoersvoorziening onder dezelfde voorwaarden gecontinueerd zou worden. De toekenning en verlengingen zagen telkens op een afgebakende periode, waardoor het voor eiseres duidelijk was dat na afloop van de bruikleen van de toenmalige Canta een nieuwe aanvraag gedaan moest worden. Bij een nieuwe aanvraag hoort een nieuwe beoordeling door de Bevelanden. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Daarbij is ook van belang dat in de eerdere toekenningsbeschikkingen reeds ruim in het voordeel van eiseres is afgeweken van het beleid, omdat die mogelijkheid werd geboden door de leverancier. Ook nu, onder de huidige voorwaarden, is er nog sprake van een forse afwijking in het voordeel van eisers. Er is niet gebleken van een noodzaak om in nog grotere mate af te wijken.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank komt ook niet toe aan het gedane verzoek om immateriële schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 5 januari 2026 en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.2, vierde lid
Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid
of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g
.welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
Artikel 2.3.5, derde en vierde lid
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
4. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2023 - Vervoers- en rolstoelvoorzieningen van Gemeenschappelijke Regeling de Bevelanden
Artikel 5 Reikwijdte maatwerkvoorziening vervoer
Een hulpvrager kan een maatwerkvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer krijgen voor zijn lokale vervoersbehoefte. Hieronder wordt verstaan het vervoer binnen het gebied van ± 15 tot 30 kilometer rondom het adres waar de persoon zijn hoofdverblijf heeft. Het bovenregionaal vervoer is een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid en hiervoor kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van het vervoerssysteem Valys.
Bij de maatwerkvoorziening wordt uitgegaan van een maximum van 2.000 kilometer per jaar. Op individuele gronden kan van dit maximum worden afgeweken. Daarbij wordt overwogen:
1. De mate waarin de hulpvrager is aangewezen op de maatwerkvoorziening;
2
.De reden waarom de vervoersbehoefte afwijkt van het maximum, zoals bezoek aan een partner die in een verpleeghuis verblijf of frequent bezoek aan een ziekenhuis.

Voetnoten

1.Uitspraken van de CRvB van 1 mei 2017, ECLI:CRVB:2017:1477 en 21 maart 2018, ECLI:CRVB:2018:819.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 27 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en ECLI:NL:CRVB:2018:1972.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 2 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6884 of van 28 januari 2009, ECLI:CRVB:2009:BH4270.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 29 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 27 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en ECLI:NL:CRVB:2018:1972.
6.Zie de uitspraak van de CRvB van 29 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463.
7.Zie de uitspraak van de CRvB van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351.