ECLI:NL:RBZWB:2026:10
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en belastingrente afgewezen met toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.862 en een belastingrentebeschikking van €121. De inspecteur had de aanslag in bezwaar verminderd naar €4.954 en de rente naar €76. De rechtbank heeft op 6 januari 2026 de zaak behandeld en beoordeelt of de aanslag en rente terecht zijn opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast, conform het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. De historische nieuwprijs wordt vastgesteld op €220.218, gebaseerd op een bruto BPM van €59.822 en een netto catalogusprijs van €132.559. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat wordt betwist; de rechtbank acht de door belanghebbende opgevoerde waardeverminderingen wegens schade niet aannemelijk, mede gezien de leeftijd en kilometerstand van de auto.
De belastingrente is terecht vanaf 1 januari 2023 in rekening gebracht, omdat het belastbare feit de inschrijving op 17 augustus 2022 betreft. Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding van €500 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van circa drie maanden. Daarnaast wordt een proceskostenvergoeding van €233,50 toegekend voor de rechtsbijstand bij het verzoek om schadevergoeding. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de immateriële schadevergoeding en proceskosten worden toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en belastingrente wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van €500 wegens overschrijding redelijke termijn.