ECLI:NL:RBZWB:2026:101
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van beroep wegens ontbreken van gronden en uittreksel handelsregister
Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen [belanghebbende] B.V. en de inspecteur van de Belastingdienst. Het beroep van belanghebbende betreft een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting over het jaar 2018. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat de gemachtigde van belanghebbende de gronden van het beroep niet heeft vermeld en er geen uittreksel uit het handelsregister is ingediend. Dit is in strijd met de vereisten van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor de rechtbank zonder zitting uitspraak kon doen.
De rechtbank heeft de gemachtigde meerdere keren de gelegenheid gegeven om de ontbrekende gronden en het uittreksel in te dienen, maar deze zijn niet tijdig aangeleverd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen verontschuldiging voor deze verzuimen is gegeven, waardoor het beroep niet inhoudelijk kon worden beoordeeld. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard, wat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.