ECLI:NL:RBZWB:2026:1013

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
BRE25/6797
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskosten na intrekking verzoek voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) verklaarde het rijbewijs van verzoeker ongeldig omdat hij zonder tolk verscheen bij het rijvaardigheidsonderzoek op 9 december 2025. Verzoeker maakte bezwaar en overlegde bewijs dat hij een tolk had geregeld, maar dat het tolkenbureau op het laatste moment had laten weten dat de tolk verhinderd was.

Het CBR herroept op 31 december 2025 het besluit en heft de ongeldigverklaring op, met de motivering dat verzoeker niet kan worden verweten zonder tolk te zijn verschenen. Verzoeker trekt daarop het verzoek om een voorlopige voorziening in en verzoekt het CBR te veroordelen tot betaling van proceskosten.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling toe, omdat het bestuursorgaan aan verzoeker is tegemoetgekomen en geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. De proceskosten worden vastgesteld op € 934,-, de waarde van de ingediende proceshandeling.

Uitkomst: Het CBR wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,- na herroeping van het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6797

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. I. Oztas),
en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

Procesverloop

1. Met het besluit van 15 december 2025 heeft het CBR het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard. Als motivering is vermeld dat het rijvaardigheidsonderzoek op 9 december 2025 niet heeft kunnen doorgaan, omdat verzoeker zonder tolk was verschenen bij dit onderzoek.
1.1
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij zijn bezwaarschrift heeft verzoeker bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij een tolk heeft geregeld en betaald. Ook heeft verzoeker bewijs overgelegd waaruit blijkt dat het tolkenbureau op 8 december 2025 heeft laten weten dat de tolk verhinderd was en dat op die korte termijn geen andere tolk gegarandeerd kon worden. Verzoeker heeft op 30 december 2025 aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2
Met het besluit op bezwaar van 31 december 2025 heeft het CBR het besluit van
15 december 2025 herroepen. Daarbij is de ongeldigverklaring van het rijbewijs opgeheven. Als motivering is daarbij aangegeven dat het verzoeker niet aangerekend kan worden dat hij zonder tolk op het onderzoek was verschenen. In de beslissing op bezwaar is verder vermeld dat verzoeker al tijdens het onderzoek op 9 december 2025 heeft uitgelegd waarom hij zonder tolk is verschenen.
1.3
Vervolgens heeft verzoeker het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. Daarbij heeft hij verzocht het CBR te veroordelen tot betaling van de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het CBR heeft hierop niet gereageerd.
1.4
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
2.1
Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2.2
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit het besluit van 31 december 2025 dat het CBR aan verzoeker is tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. [2] Omdat niet gebleken is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, zal de voorzieningenrechter het verzoek om het CBR in de proceskosten te veroordelen toewijzen.
2.3
De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het CBR moet vergoeden € 934,- bedragen.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het CBR in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 18 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).