ECLI:NL:RBZWB:2026:1017

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
02-229336-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 UWArt. 5 UWArt. 9 UWArt. 11 UWArt. 18 UW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid van uitlevering aan Oekraïne voor wapensmokkel en drugsdelicten

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van Oekraïne tot uitlevering van een persoon geboren in 1983, verdacht van het bezit en overdragen van explosieven en munitie, alsmede van het verkopen en aanwezig hebben van softdrugs in 2019.

Het verzoek was voorzien van alle vereiste stukken, waaronder aanhoudingsbevel, feitenomschrijving, toepasselijke wetgeving en bewijsstukken. De opgeëiste persoon verzette zich tegen uitlevering vanwege het risico op schending van fundamentele rechten, waaronder het recht op een eerlijk proces en het risico op onmenselijke behandeling in Oekraïense detentie, mede door de oorlogssituatie en het krijgsrecht.

De rechtbank oordeelde dat het toetsingskader van de uitleveringsrechter beperkt is en dat het vertrouwen in de verzoekende staat en haar garanties centraal staat. De aangevoerde risico's waren onvoldoende concreet om de uitlevering te weigeren. De opgeëiste persoon had zijn onschuld niet onverwijld aangetoond. Er was geen sprake van verjaring, ne bis in idem of politieke delicten.

De rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar en wees het beroep op schending van artikel 6 EVRM Pro en andere fundamentele rechten af, omdat geen concreet en onherstelbaar risico was vastgesteld. De beslissing werd uitgesproken op 18 februari 2026 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Oekraïne toelaatbaar voor strafvervolging.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND- WEST-BRABANT

Strafrecht
Locatie: Breda
Kenmerk UTL-I-2025033014
Parketnummer 02-229336-25
De rechtbank Zeeland-West-Brabant doet de volgende uitspraak op een verzoek van de autoriteiten van Oekraïne tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [plaats] , [regio] (Oekraïne),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [verblijfplaats] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1.Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

1.1
Het verzoek tot uitlevering
Bij brief van 15 september 2025, heeft de Oekraïense autoriteit aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland een gewaarmerkt verzoek, gedateerd 3 september 2025, met een vertaling in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna: het uitleveringsverzoek).
Blijkens voormeld verzoek wordt de opgeëiste persoon in Oekraïne verdacht van:
  • het misdrijf overdragen en/of voorhanden hebben van behuizing van een F-1 granaat, zijnde een explosief, te [plaats] , [regio] , eind februari 2019;
  • het misdrijf overdragen en/of voorhanden hebben van 21 patronen 5,45 mm, zijnde munitie, te [plaats] , [regio] , eind maart 2019;
  • het misdrijf overdragen en/of voorhanden hebben van een behuizing van een F-1 granaat, zijnde een explosief, en een lont voor handgranaten, te [plaats] , [regio] , op of omstreeks 5 juni 2019;
  • het misdrijf overdragen en/of voorhanden hebben van ene behuizing van een granaat F-1 en een lont voor handgranaten, te [plaats] , [regio] , en/of in de buurt van de halte ‘Kation’ van de stad Chmelnytsky, op of omstreeks 21 juni 2019;
  • het misdrijf verkopen en/of aanwezig hebben van 54,95 gr. softdrugs (cannabis), te [plaats] , [regio] , gepleegd op of omstreeks 5 juni 2019;
  • het misdrijf verkopen en/of aanwezig hebben van 88,39 gr. softdrugs (cannabis), te [plaats] , [regio] , gepleegd op of omstreeks 13 juni 2019;
  • het misdrijf verkopen en/of aanwezig hebben van 5,213 gr. softdrugs (cannabis), te [plaats] , [regio] , gepleegd op of omstreeks 21 juni 2019.
Bij brief van 7 oktober 2025 van de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), is verzocht het door Oekraïne gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.
1.2
De door de verzoekende staat overgelegde stukken
Voormeld verzoek is vergezeld van en/of in voormeld verzoek is het volgende opgenomen:
  • het vereiste door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
  • de vereiste uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
  • de vereiste tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;
  • de vereiste stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;
  • informatie betreffende bewijs van schuld;
  • informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn.
1.3
De overige stukken
In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:
  • een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 december 2025, betreffende de opgeëiste persoon;
  • stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding en de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;
  • de schriftelijke vordering van de officier van justitie te Zeeland- West-Brabant van 18 september 2025, bij de rechtbank ingekomen op 22 januari 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van genoemd uitleveringsverzoek, alsmede inhoudende de vordering tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon;
  • de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie te Zeeland- West-Brabant, overgelegd ter zitting op 4 februari 2026, houdende diens opvatting omtrent de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;
  • de pleitnotities van de raadsman van de opgeëiste persoon, overgelegd ter zitting op 4 februari 2026.

2.Het onderzoek ter zitting

2.1
De behandeling
Het onderzoek ter zitting is in het openbaar gehouden op 4 februari 2026. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 1. genoemde stukken.
De opgeëiste persoon, ter zitting verschenen - en bijgestaan door zijn raadsman mr. R.F.M. Gerritsen. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij de Oekraïense nationaliteit bezit en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet.
Namens het openbaar ministerie is verschenen officier van justitie mr. K. Weijers.
2.2
Het standpunt van de opgeëiste persoon
Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat de opgeëiste persoon bij uitlevering aan Oekraïne een reëel risico loopt op een flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces (artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, hierna: EVRM),
terwijl hem daartegen geen effectief rechtsmiddel ter beschikking staat (artikel 13 EVRM Pro). Dit geldt ondanks de door de Oekraïense autoriteten afgegeven algemene en individuele garanties. De raadsman verzoekt de rechtbank daarom primair de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.
Subsidiair wordt aangevoerd dat een reëel risico op schending van andere fundamentele rechten bestaat, te weten de artikelen 2, 3 en 5 van het EVRM, waartegen eveneens geen effectief rechtsmiddel openstaat. Daarnaast is het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven in het geding, in samenhang met de bijzondere hardheidsclausule van artikel 10 van Pro de Uitleveringswet (hierna: UW). De raadsman verzoekt de rechtbank ook op deze grond de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar te verklaren.
Verder heeft de aanhoudende oorlogssituatie in Oekraïne een enorme impact op de feitelijke mogelijkheden van de Oekraïense autoriteiten om mensenrechten te waarborgen en afgegeven (individuele) garanties daadwerkelijk na te komen. Bovendien is in Oekraïne momenteel het krijgsrecht van toepassing, hetgeen het mensenrechtenconforme karakter van het geldende straf- en strafprocesrecht aanzienlijk beïnvloedt en ontwricht. Een verblijf in een Oekraïense gevangenis onder de huidige omstandigheden is potentieel levensgevaarlijk en in ieder geval mensonterend.
Meer subsidiair wordt verzocht, indien de rechtbank voorgaande uitlevering toelaatbaar zou achten, de Minister te adviseren af te zien van inwilliging van het uitleveringsverzoek.
2.3
De opvatting van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard.

3.Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering

3.1
Inleiding
De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter wel een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de Minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de
toelaatbaarheidvan de uitlevering, terwijl de Minister dient te beslissen of het verzoek wordt
ingewilligd(waarbij de Minister overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de Minister. De uitleveringsrechter kan de Minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.
De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de Minister en anderzijds de uitleveringsrechter.
3.2
Toepasselijke wetten en verdragen
Op het verzoek is naast de UW het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: het EUV) van toepassing.
3.3
Genoegzaamheid van de stukken
Het verzoek is schriftelijk gedaan en is rechtstreeks toegezonden aan de Minister. Het verzoek is conform artikel 18 van Pro UW en vergezeld van de onder 1.2 genoemde vereiste stukken. Uit de stukken volgt dat er tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1.1. genoemde feiten. Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor die verdenking. De stukken zijn derhalve genoegzaam.
3.4
Dubbele strafbaarheid en strafbedreiging met vrijheidsstraffen van tenminste één jaar
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien er zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar het recht van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.
De opgeëiste persoon wordt in de verzoekende staat verdacht van de onder 1.1. genoemde feiten. Naar Oekraïens recht staan op deze feiten vrijheidsbenemende straffen van meer dan een jaar. Naar Nederlands recht zijn deze feiten - met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de UW - strafbaar gesteld onder de artikelen 2, 26, 31 jo. 55 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) en de artikelen 3 jo. 11 van de Opiumwet, en bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar.
3.5
Ne bis in idem en verjaring
Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van Pro de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten of voor een feit dat is verjaard. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 december 2025 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Oekraïens of Nederlands recht sprake van verjaring.
3.6
Vervolging wegens een politiek delict
Op grond van artikel 11 van Pro de UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen.
3.7
Kennelijke onschuld
Van uitlevering dient te worden afgezien indien de opgeëiste persoon onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. Van kennelijke onschuld kan enkel sprake zijn indien uit het verweer van de opgeëiste persoon - en de eventuele onderbouwing met stukken - volgt dat de opgeëiste persoon de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd materieel niet
kanhebben gepleegd.
De opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat hij onschuldig is aan hetgeen hem in Oekraïne wordt verweten. Daartoe is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat hij werkzaam was in de krijgsmacht. De raadsman heeft daartoe stukken overgelegd. Deze overgelegde stukken zien echter op 2017 en zeggen niets over de periode van de verdenking, te weten 2019. Bovendien zijn deze stukken niet verifieerbaar. De opgeëiste persoon heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onverwijld zijn onschuld aangetoond.
3.8 (
Dreigende) schending van fundamentele mensenrechten
In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).
Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van Pro het EVRM voorbehouden aan de Minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.
Uit voormelde jurisprudentie volgt voorts dat het oordeel omtrent een beroep op een
dreigendeschending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en / of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een
flagranteinbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt echter niet snel dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Aan een beoordeling van een beroep op een
voltooideschending van artikel 6 van Pro het EVRM, komt de uitleveringsrechter in de regel niet toe, omdat pas na de berechting in de
verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie.
De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM Pro en van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Hiertoe heeft de raadsman namens de opgeëiste persoon onder meer het mensenrechtenjaarverslag over Oekraïne over 2024 van het United States Department of State (hierna: USDOS) en het Deense rapport Ukraine Prison Conditions 2024 aangehaald.
De rechtbank stelt allereerst vast dat zij niet aan zet is om zich, bij het beoordelen van de toelaatbaarheid van dit uitleveringsverzoek, inhoudelijk uit te laten over een
dreigende schendingvan artikel 3 EVRM Pro. Conform de bestendige jurisprudentie is hiervoor de Minister aan zet, wanneer hij toetst of het uitleveringsverzoek ingewilligd kan worden.
Zoals hierboven vermeld kan de rechtbank een
dreigendeschending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro onder voorwaarden bij haar beoordeling van de toelaatbaarheid van een uitlevering betrekken. De rechtbank hanteert dit toetsingskader tegen de achtergrond dat Oekraïne en Nederland allebei lid zijn van het EUV. Zij zijn in beginsel verplicht om de opgeëiste persoon uit te leveren aan het andere verdragsland. Ook neemt zij als uitgangspunt dat hierbij het vertrouwensbeginsel van toepassing is en dat zowel op de feitelijke als juridische mededelingen gedaan en garanties gegeven door de verzoekende staat Oekraïne dient te worden vertrouwd.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door raadsman aangehaalde rapporten enkel een algemeen risico en geen concreet risico ten aanzien van de opgeëiste persoon. Bovendien bevatten deze stukken onvoldoende concrete feiten en omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat er daadwerkelijk sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces.
Gelet op vorenstaande kan het namens de opgeëiste persoon gedane beroep niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Een dreigende schending van artikel 3 EVRM Pro valt niet binnen het toetsingskader van de uitleveringsrechter. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een dreigende
flagranteschending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, noch dat de opgeëiste persoon daartegen geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM ter dienste staat. Het beroep wordt derhalve verworpen.
3.9
Tot slot
Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

4.De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:
- artikelen 2, 5, 18, 26, 28 en 51a van de UW;
- artikelen 1, 2 en 12 van het EUV;
- artikelen 2, 26, 31 jo. 55 van de WWM en de artikelen 3 jo. 11 van de Opiumwet.

5.Beslissing

De rechtbank:
verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Oekraïense autoriteiten van opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van de in de schriftelijke samenvatting omtrent toelaatbaarheid uitlevering ex artikel 26 lid 2 van Pro de Uitleveringswet vermelde feiten.
Deze uitspraak is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. D. van Kralingen en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 februari 2026.
Mr. Janssen, mr. Mullers en mr. Van Spelde zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.