ECLI:NL:RBZWB:2026:1040

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
25/3221
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. de Weijze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 ZWArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling terugvordering Ziektewet-uitkering na dubbele uitkering met WIA

Eiser ontving vanaf 18 juli 2024 een Ziektewet-uitkering (ZW). Later werd een WIA-uitkering toegekend met terugwerkende kracht vanaf 4 maart 2024. Door een administratieve fout van het UWV werden beide uitkeringen over de periode 18 juli 2024 tot en met 30 november 2024 tegelijkertijd uitbetaald. Het UWV vorderde daarop de bruto ZW-uitkering van € 14.189,16 terug, inclusief loonheffing, omdat de uitkeringen normaliter verrekend moeten worden.

Eiser maakte bezwaar tegen deze terugvordering en stelde dat het UWV slechts het netto bedrag had moeten terugvorderen, aangezien de fout bij het UWV lag en hij het netto bedrag vrijwel geheel had terugbetaald. De rechtbank oordeelde dat het UWV niet had voldaan aan de gewijzigde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep omtrent dringende redenen om terugvordering te beperken.

De rechtbank stelde vast dat eiser geen verwijt treft en dat de fout volledig aan het UWV is toe te rekenen. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. De terugvordering werd vastgesteld op het netto bedrag van € 9.865,27. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser, terwijl het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: De terugvordering van de ZW-uitkering wordt vastgesteld op het netto bedrag van € 9.865,27 vanwege een fout van het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3221 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.J.M.M. Verwijmeren),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over de terugvordering van zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW)
1.1.
Het UWV heeft de ZW-uitkering van eiser bij besluit van 21 januari 2025 (primaire besluit) tot een bedrag van € 14.189,16 bruto teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 20 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de terugvordering gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en namens het UWV mr. M.B.A. van Grinsven.

Beoordeling door de rechtbank

2. Met een besluit van 22 juli 2024 is aan eiser vanaf 18 juli 2024 een ZW-uitkering toegekend. Met een besluit van 5 december 2024 is aan eiser met ingang van 4 maart 2024 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Op 23 december 2024 is aan eiser over de periode van 18 juli 2024 tot en met 31 december 2024 € 8.417,63 netto aan WIA-uitkering uitbetaald. Op 21 januari 2025 is geconstateerd dat de WIA-uitkering over de periode van 18 juli 2024 tot en met 30 november 2024 ten onrechte niet is verrekend met de reeds uitbetaalde ZW-uitkering. Hierdoor is de ZW-uitkering ten onrechte uitbetaald en wordt in het primaire besluit de ZW-uitkering van eiser tot een bedrag van € 14.189,16 bruto teruggevorderd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Grondslag bestreden besluit
2.1.
In het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat normaliter de uitkeringen die voor elkaar in de plaats komen met elkaar worden verrekend. Door onbekende oorzaak is dat in de situatie van eiser niet gebeurd. Het gevolg is dat eiser over de periode van 18 juli 2024 tot en met 30 november 2024 zowel een ZW-uitkering als een WIA-uitkering heeft ontvangen. Op grond van de ZW moet de onverschuldigd gedane betaling worden teruggevorderd. Omdat de ZW-uitkering in 2024 is betaald en eiser niet voor het einde van het fiscale jaar 2024 het te veel betaalde bedrag van € 9.865,27 netto heeft terugbetaald wordt ook de loonheffing teruggevorderd. In het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft in beroep in de kern aangevoerd dat het onterecht is dat het UWV de te veel betaalde uitkering bruto terugvordert. De terugvordering is ontstaan door een fout van het UWV en eiser heeft het nettobedrag vrijwel geheel terugbetaald. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726) stelt eiser dat in het kader van de terugvordering ook rekening moet worden gehouden met aan wie de fout en ontstane situatie moet worden toegerekend. Volgens eiser had het UWV moeten volstaan met terugvordering van het nettobedrag
Door het bestreden besluit ervaart eiser spanning en onzekerheid. Eiser ontvangt een ‘vervolguitkering WIA’ en heeft geen aflossingscapaciteit. Het is onzeker of het bedrag dat het UWV aan loonheffing heeft afgedragen aan de belastingdienst geheel aan eiser gerestitueerd zal worden.
De terugvordering
De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht tot terugvordering van de te veel betaalde ZW-uitkering is overgegaan. De rechtbank stelt voorop dat eiser over de periode van 18 juli 2024 tot en met 30 november 2024 een dubbele uitkering heeft ontvangen. Het UWV is op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW gehouden het ziekengeld dat onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, terug te vorderen. Op grond van artikel 33, zesde lid, van de ZW kan geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
3.1.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de CRVB zijn uitleg van dringende reden verruimd. De CRvB ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het UWV, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het UWV die aan een herziening of terugvordering ten grondslag liggen. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving.
3.2.
Het UWV heeft verzuimd om in het bestreden besluit aandacht te besteden aan de gewijzigde jurisprudentie van de CRvB inzake dringende redenen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een dringende redenen om gedeeltelijk van terugvordering van de ZW-uitkering af te zien. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het ontstaan van de vordering louter te wijten is aan het UWV. Niet in geschil is eiser geen aandeel heeft gehad in de ontstane situatie. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal het bedrag van de terugvordering vaststellen op het bedrag dat netto te veel aan ZW-uitkering aan eiser is uitbetaald, te weten € 9.865,27. Voorzover het UWV in het bestreden besluit heeft overwogen dat eiser wellicht de teveel betaalde loonheffing bij de Belastingdienst kan terughalen, overweegt de rechtbank dat zij het onterecht vindt dat eiser zelf inspanningen zou moeten plegen om nog een bedrag terug te krijgen van de Belastingdienst, terwijl het ontstaan van de terugvordering enkel en alleen bij het UWV ligt.

Conclusie en gevolgen

4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het primaire besluit herroepen voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en bepalen dat de terugvordering wordt vastgesteld op € 9.865,27 netto.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De proceskosten stelt de rechtbank vast op € 2.534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,-, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1).
4.2.
Met betrekking tot het door eiser gedane verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat dit verzoek niet is onderbouwd en daarom wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft;
  • herroept het primaire besluit, voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft;
  • bepaalt dat de terugvordering wordt vastgesteld op € 9.865,27 netto;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten aan eiser;
  • wijst af het verzoek om schadevergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 19 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.