Eiser ontving vanaf 18 juli 2024 een Ziektewet-uitkering (ZW). Later werd een WIA-uitkering toegekend met terugwerkende kracht vanaf 4 maart 2024. Door een administratieve fout van het UWV werden beide uitkeringen over de periode 18 juli 2024 tot en met 30 november 2024 tegelijkertijd uitbetaald. Het UWV vorderde daarop de bruto ZW-uitkering van € 14.189,16 terug, inclusief loonheffing, omdat de uitkeringen normaliter verrekend moeten worden.
Eiser maakte bezwaar tegen deze terugvordering en stelde dat het UWV slechts het netto bedrag had moeten terugvorderen, aangezien de fout bij het UWV lag en hij het netto bedrag vrijwel geheel had terugbetaald. De rechtbank oordeelde dat het UWV niet had voldaan aan de gewijzigde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep omtrent dringende redenen om terugvordering te beperken.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen verwijt treft en dat de fout volledig aan het UWV is toe te rekenen. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. De terugvordering werd vastgesteld op het netto bedrag van € 9.865,27. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser, terwijl het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.