ECLI:NL:RBZWB:2026:1077

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
BRE 26/248
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden beslissing te nemen na overschrijding beslistermijn WIA-uitkering

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor een WIA-uitkering van 21 augustus 2025. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat eiser het UWV op 13 november 2025 in gebreke heeft gesteld.

De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen vier maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen, een langere termijn dan de standaard twee weken vanwege het belang van zorgvuldige besluitvorming en het tekort aan verzekeringsartsen. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.

De rechtbank wijst het verzoek van eiser om een hogere dwangsom af en stelt vast dat het UWV reeds een bestuurlijke dwangsombeslissing heeft genomen, waardoor de rechtbank deze niet vaststelt. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de dwangsom vanaf 2 maart 2026. Tot slot moet het UWV het griffierecht en proceskosten van €467 aan eiser vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV binnen vier maanden alsnog te beslissen en legt een dwangsom en renteverplichting op wegens overschrijding beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/248

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.T.A. Duijs),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 21 augustus 2025 voor de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het UWV op 13 november 2025 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 18 november 2025 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het UWV heeft in het verweerschrift van 26 januari 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. Eiser verzoekt om een dwangsom van € 200,- per dag op te leggen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Er is geen reden om de hogere dwangsom die eiser vraagt, op te leggen.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [2]
6.1.
Omdat het UWV reeds een dwangsombeslissing genomen heeft op 19 januari 2026, zal de rechtbank de bestuurlijke dwangsom niet vaststellen.
6.2.
Eiser heeft verzocht om het UWV te veroordelen tot betaling van de bestuurlijke dwangsom. Artikel 8:55c van de Awb geeft slechts de bevoegdheid tot vaststelling van de bestuurlijke dwangsom. Deze bevoegdheid bevat niet de mogelijkheid om het bestuursorgaan te veroordelen tot betaling ervan.
6.3.
Eiser vraagt om wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe. Het UWV moest de dwangsom uiterlijk op 13 januari 2026 vaststellen en uiterlijk op 2 maart 2026 aan eiser betalen. [3] Omdat het UWV dit niet tijdig heeft gedaan, is hij in verzuim geweest en moet hij vanaf 2 maart 2026 tot de datum waarop alles is betaald wettelijke rente aan eiser betalen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- veroordeelt het UWV om de wettelijke rente over de bestuurlijke dwangsom aan eiser te betalen, vanaf 2 maart 2026 tot de dag waarop het gehele bedrag is betaald;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 20 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 4:87, eerste lid, van de Awb.