ECLI:NL:RBZWB:2026:110

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
25-270
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van de Ziektewet-uitkering van eiser na medische beoordeling en geschiktheid voor arbeid

Deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreft de beëindiging van de Ziektewet (ZW)-uitkering van eiser, die het niet eens is met deze beslissing van het UWV. Eiser, die eerder als basisoperator B3 werkte, is op 11 augustus 2021 ziek geworden na een ongeval op de werkvloer en heeft sindsdien verschillende medische problemen ervaren, waaronder psychische klachten. Na een WIA-beoordeling in oktober 2023 werd eiser 29,81% arbeidsongeschikt geacht, en een WIA-uitkering werd geweigerd. Eiser heeft zich opnieuw ziekgemeld na een auto-ongeluk in januari 2024, maar het UWV beëindigde zijn ZW-uitkering op 3 mei 2024, omdat hij geschikt werd geacht voor verschillende functies. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen deze beslissing ongegrond verklaard, na beoordeling van de medische rapporten en argumenten van eiser. De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser in staat is om de geduide functies te vervullen, en dat er geen toename van beperkingen is vastgesteld. Eiser krijgt geen gelijk en de rechtbank legt uit dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd, zonder recht op proceskostenvergoeding of griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/270

uitspraak van 12 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de ZW-uitkering van eiser terecht heeft beëindigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als basisoperator B3 bij [werkgever] B.V. voor 38,74 uur per week. Voor dat werk is hij uitgevallen op 11 augustus 2021 vanwege een ongeval op de werkvloer op 16 mei 2021 waarbij zijn vinger door een machine was geraakt. Vervolgens heeft eiser op 10 september 2021 een auto-ongeluk gehad, waarna hij ook klachten aan zijn bovenlichaam kreeg. Daarnaast is bij eiser ook sprake van psychische problematiek.
3. Eiser ontving na zijn ziekmelding een ZW-uitkering. Vervolgens vond er in oktober 2023 een WIA beoordeling plaats. Naar aanleiding van dat onderzoek werd eiser 29,81% arbeidsongeschikt geacht en werd een WIA-uitkering geweigerd (daarover gaat zaak BRE 25/248). Eiser heeft zich naar aanleiding van een auto-ongeluk in januari 2024 opnieuw ziekgemeld. Het UWV heeft een ZW-uitkering toegekend, maar deze uitkering in een besluit van 26 april 2024 weer beëindigd. Eiser wordt namelijk nog geschikt geacht voor de volgende functies: Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten, Sbc-code 111180), Controleur, tester elektrotechnische apparatuur (Sbc-code 267060) en Textielproductenmaker (excl. Vervaardigen textiel, Sbc-code 111160).

Procesverloop

4. Het UWV heeft met het besluit van 26 april 2024 (primair besluit) de ZW-
uitkering van eiser beëindigd met ingang van 3 mei 2024. Met het bestreden besluit van 28 november 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
4.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4.3
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer BRE 25/248. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser mr. L.L. Ross en [vertegenwoordiger] namens het UWV. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
5. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser geschikt is om de eerder bij de WIA-beoordeling geduide functies te verrichten. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Wettelijk kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
7. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor niet in staat is ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW te verrichten. Onder zijn arbeid in de zin van de ZW wordt verstaan de laatst verrichte arbeid. Als er in het kader van de WIA-beoordeling of de eerstejaarsziektewetbeoordeling functies zijn geduid en eiser heeft daarna niet meer gewerkt, dan worden de geduide functies aangemerkt als ‘zijn arbeid’.
Het medische onderzoek van het UWV
8. Het bestreden besluit is gebaseerd op rapporten van een arts (getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts) en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
8.1
De (primaire) arts heeft het dossier bestudeerd en eiser lichamelijk en psychisch onderzocht tijdens het spreekuur van 22 april 2024. Volgens de arts zijn de beperkingen die zijn vastgesteld bij de WIA-beoordeling (zaak BRE 25/248) nog steeds aan de orde en is er geen sprake van toegenomen beperkingen op datum spreekuur, omdat tijdens het onderzoek geen afwijkingen zijn geobjectiveerd. Daarnaast gaf eiser aan dat zijn klachten zijn afgenomen sinds datum ziekmelding, is het dagverhaal overeenkomstig met het dagverhaal van oktober 2023 en is de extra medicatie van eiser al voor langere tijd stopgezet. Omdat eiser niet gezien is door een arts of sociaal medisch verpleegkundige tussen datum ziekmelding en datum spreekuur, wordt de ziekmelding tussen 10 januari en 3 mei 2024 plausibel geacht. Per 3 mei 2024 wordt eiser weer arbeidsgeschikt geacht.
8.2
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en verwijst voor de onderzoeksactiviteiten verder naar de medische rapportage van 21 november 2024 (de rapportage van de verzekeringsarts b&b in de zaak BRE 25/248). Daarnaast heeft overleg plaatsgevonden met arbeidsdeskundige b&b op 26 november 2024 over de functionele mogelijkheden van eiser zoals weergegeven in de FML van 21 november 2024.
8.3
Volgens de verzekeringsarts b&b heeft de primaire arts terecht gesteld dat geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden volgens de daarvoor geldende criteria zoals benoemd in het Schattingsbesluit en dat geen sprake is van een toename van fysieke beperkingen ten opzichte van de eerder verrichte WIA-beoordeling. Er zijn geen aanwijzingen dat door objectief letsel het medisch substraat veranderd zou zijn en de fysieke impact van het tweede auto-ongeluk lijkt kleiner dan van het eerste auto-ongeluk. Ook zijn de bevindingen van de primaire arts niet wezenlijk anders dan de bevindingen van de primaire verzekeringsarts in de WIA-beoordeling. Er wordt dus onveranderd uitgegaan van tendomyogene rugklachten cq. aspecifieke rugklachten en een WAD graad I of II. Hierbij horen dezelfde beperkingen als eerder gesteld bij de WIA-beoordeling in 2023 en dus wordt verwezen naar de FML van 21 november 2024.
8.4
De psychische belastbaarheid van eiser wordt bepaald door de vastgestelde somatisch symptoomstoornis waarbij ook gedacht kan worden aan een aanpassingsstoornis of een lichte depressie. Hiervoor zijn volgens de verzekeringsarts b&b passende beperkingen aangenomen in de FML van 21 november 2024. Anders dan tijdens de WIA-beoordeling, heeft eiser ten tijde van de ZW-beoordeling last van paniekklachten en mogelijk doodsgedachten. Eiser wordt hiervoor behandeld bij de POH-GGZ (eerstelijnspsycholoog), maar deze heeft geen reden gezien om hem door te verwijzen naar de tweede lijn. Aangezien geen opvallende afwijkingen opgemerkt zijn bij het psychisch onderzoek, zijn er onvoldoende aanwijzingen om te veronderstellen dat de psychopathologie waar eiser mee worstelt wezenlijk is toegenomen of dat er een andere diagnose te veronderstellen is. De geduide functies vallen binnen de psychische belastbaarheid van eiser op de datum in geding. Tot slot is wat in de medische rapportage van 21 november 2024 is beschreven over de werktijden/medische urenbeperking onveranderd van toepassing te achten.
Het standpunt van eiser
9. Eiser verwijst naar wat is ingebracht in de zaak BRE 25/248.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
10. Eiser verwijst in zijn beroep naar de beroepsgronden zoals opgenomen in de zaak BRE 25/248. De rechtbank verwijst hier daarom naar overweging 9 in de zaak BRE 25/248. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van die overweging af te wijken.
Het arbeidsdeskundig onderzoek
11. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat de in de zaak BRE 25/248 geduide functies op de datum in geding niet geschikt zouden zijn. De rechtbank gaat daarom uit van de geschiktheid van de geselecteerde functies.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Onder “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19 van de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde – na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de WIA of een EZWb – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb of WIA geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb of WIA vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb of WIA geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd. [1]