ECLI:NL:RBZWB:2026:1107

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
24/6625 en 25/226
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:91 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep en schadevergoeding bij toekenning WIA- en WW-uitkering ex-werknemer

Deze uitspraak betreft het beroep van eiseres tegen besluiten van het UWV over de toekenning van een WIA-uitkering aan een ex-werknemer en de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar tegen een WW-uitkeringsbesluit. De ex-werknemer was van 2017 tot 2019 werkzaam bij een andere werkgever, kreeg vanaf juni 2019 een WW-uitkering, meldde zich ziek in juli 2019, en ontving daarna een Ziektewet-uitkering. In oktober 2021 trad hij in dienst bij eiseres, waarna hij zich in januari 2022 ziek meldde en zijn dienstverband in februari 2022 eindigde. In april 2024 werd een WIA-uitkering toegekend.

Eiseres maakte bezwaar tegen het WIA-besluit en het WW-besluit, en vroeg om schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen belanghebbende was bij het WW-besluit van juli 2021 omdat zij pas later werkgever werd, waardoor het bezwaar tegen dat besluit niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen het WIA-besluit wordt ongegrond verklaard omdat het UWV terecht de WIA-uitkering toekende op basis van de aanvraag van oktober 2023 en de eerste ziektedag in januari 2022.

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen voor zover het verband houdt met het WIA-besluit en niet-ontvankelijk verklaard voor zover het verband houdt met het WW-besluit. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het WIA-besluit wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het WW-besluit niet-ontvankelijk; het verzoek om schadevergoeding wordt deels afgewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/6625 WIA
BRE 25/226 WW

uitspraak van 23 februari 2026 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] B.V. uit [plaats 1] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.B.W. Oosterbeek),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor BREDA), verweerder.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[ex-werknemer]uit [plaats 2] (ex-werknemer),
(gemachtigde: mr. A. Staal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan een ex-werknemer van eiseres. Tevens gaat deze uitspraak over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen een besluit op grond van de Werkloosheidswet (WW). In de beroepsprocedure heeft eiseres ook een verzoek om schadevergoeding ingediend.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen van eiseres ongegrond zijn en dat het verzoek om schadevergoeding deels moet worden afgewezen en deels niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. De ex-werknemer is van 3 juli 2017 tot 1 juni 2019 werkzaam geweest als engineer (bij een andere werkgever dan eiseres). Met ingang van 1 juni 2019 is aan hem een WW-uitkering toegekend. Met ingang van 9 juli 2019 heeft de ex-werknemer zich ziekgemeld. Tot 8 oktober 2019 is de WW-uitkering blijven doorlopen, waarna per 8 oktober 2019 aan hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is toegekend.
2.1
Op 5 juli 2021 heeft er een hersteldmelding plaatsgevonden. Op deze datum heeft de ex-werknemer ook om herleving van zijn WW-uitkering gevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven weer beschikbaar te zijn voor werk.
Met het besluit van 7 juli 2021 is aan de ex-werknemer meegedeeld dat zijn WW-uitkering met ingang van 6 juli 2021 weer wordt voortgezet.
2.2
Per 1 oktober 2021 is de ex-werknemer gaan werken bij eiseres in de functie werkvoorbereider (preparator/calculator). Zijn WW-uitkering is per deze datum beëindigd.
2.3
De ex-werknemer heeft zich per 13 januari 2022 ziekgemeld. Op 1 februari 2022 is zijn dienstverband beëindigd, waarna hij weer een ZW-uitkering heeft ontvangen.
2.4
Op 22 oktober 2023 heeft de ex-werknemer een WIA-uitkering aangevraagd.
Met het besluit van 2 april 2024 is aan hem per 11 januari 2024 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Eiseres heeft op 6 mei 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 (bestreden besluit 1) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.5
Eiseres heeft op 17 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juli 2021 waarmee aan de ex-werknemer een WW-uitkering is toegekend. Met het bestreden besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit 2) heeft het UWV het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Procesverloop

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 en 2. Tevens heeft eiseres gevraagd om schadevergoeding.
3.1
Het UWV heeft op de beroepen en het verzoek om schadevergoeding gereageerd met een verweerschrift.
3.2
De rechtbank heeft de beroepen op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en [naam] . Namens het UWV was mr. [vertegenwoordiger] aanwezig. Derde-partij heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

4. Omdat de WW-uitkering is toegekend voorafgaand aan het WIA-besluit en omdat eiseres het WW-besluit ook noemt in haar beroep tegen het WIA-besluit, zal de rechtbank eerst bestreden besluit 2 toetsen.
Bestreden besluit 2 (WW-uitkering)
Standpunt eiseres
5. Eiseres heeft gesteld dat zij als belanghebbende aangemerkt moet worden bij het besluit tot toekenning van de WW-uitkering. De toekenning van deze uitkering raakt de financiële situatie van eiseres. Als de WW-aanvraag zou zijn afgewezen zou de ex-werknemer in 2021 al een WIA-uitkering hebben ontvangen en waarschijnlijk niet bij eiseres in dienst zijn getreden. Als de ex-werknemer wel bij eiseres in dienst was getreden had eiseres een beroep kunnen doen op de no-riskpolis.
Standpunt UWV
6. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres met de toekenning van de WW-uitkering niet rechtstreeks wordt benadeeld, nu de WW-uitkering niet is toegekend vanuit een dienstverband bij eiseres. Dat enkele jaren later een WIA-uitkering wordt toegekend die ten laste komt van eiseres doet hier niets aan af. Het UWV is van mening terecht besloten te hebben om eiseres niet als belanghebbende aan te merken. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Overwegingen rechtbank
7. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan alleen een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. [1] Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks betrokken is bij het besluit. [2] Kan iemand niet als belanghebbende worden aangemerkt, dan moet het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. In dat geval zal het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt, niet inhoudelijk worden beoordeeld. In de rechtspraak is geoordeeld dat uiterlijk tijdens de bezwaartermijn aan het vereiste van belanghebbendheid moet zijn voldaan. [3]
7.1
Het besluit waarmee aan de ex-werknemer is meegedeeld dat hij weer recht heeft op een WW-uitkering is gedateerd 7 juli 2021. Dat betekent dat eiseres uiterlijk op 18 augustus 2021 belanghebbende moest zijn bij dit besluit om ontvankelijk te zijn in haar bezwaar. Op dat moment was eiseres echter geen belanghebbende. De ex-werknemer is immers pas na deze datum in dienst getreden bij eiseres en pas op 11 januari 2024 is er een WIA-uitkering aan de ex-werknemer toegekend. Dat eiseres geen belanghebbende was ten tijde van het besluit van 7 juli 2021 of binnen 6 weken na afgifte van dat besluit wordt overigens ook niet betwist.
7.2
Eiseres heeft echter ter zitting gesteld dat de 6-weken-termijn waarbinnen iemand nog als belanghebbende kan worden aangemerkt, geen fatale termijn is, maar gezien moet worden als een redelijke indicatie waarbinnen iemand nog als belanghebbende kan worden aangemerkt. Eiseres is van mening dat in haar geval de termijn moet worden opgerekt, omdat er op een later moment een belang is ontstaan dat in direct verband staat met het WW-besluit.
7.3
In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de vaste rechtspraak waarbij invulling is gegeven aan het moment waarop er uiterlijk sprake moet zijn van belanghebbendheid. Een eventueel later ontstaan (indirect) belang bij een besluit kan daarom niet alsnog toegang geven tot het voeren van een bezwaarprocedure op inhoudelijke gronden. Het UWV heeft dan ook terecht besloten het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren.
Bestreden besluit 1 (WIA-uitkering)
Standpunt eiseres
8. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het UWV ten onrechte per 6 juli 2021 een WW-uitkering heeft toegekend aan de ex-werknemer. Hij was volgens eiseres namelijk niet beschikbaar, er was een uitsluitingsgrond van toepassing en/of hij was verwijtbaar werkloos geworden. Verder heeft eiseres nog opgemerkt dat het er alle schijn van heeft dat de ex-werknemer de inlichtingenplicht van de WW niet is nagekomen. In het verlengde van de ten onrechte toegekende WW-uitkering is pas per 11 januari 2024 een WIA-uitkering toegekend. Indien de ex-werknemer destijds geen aanspraak had gehad op een WW-uitkering is het volgens eiseres aannemelijk dat hij alsnog een WIA-uitkering had aangevraagd en/of dat hij eind 2021 niet in dienst zou zijn getreden bij eiseres. Als de ex-werknemer wel in dienst zou zijn gekomen is door deze gang van zaken aan eiseres de kans ontnomen om een beroep op de no-riskpolis te doen. Eiseres zou in dat geval ook niet verantwoordelijk zijn geweest voor de betaling van de ZW-uitkering en WIA-uitkering. Ook zou zij dan geen kosten hebben hoeven te maken voor de re-integratie en er zou ook geen hogere (gedifferentieerde) premie voor de ZW of WIA zijn vastgesteld.
8.1
Eiseres is van mening dat al medio 2021 een WIA-uitkering toegekend had moeten worden. Daarom is het bestreden besluit 1 onjuist en dus onrechtmatig. Dat er destijds geen WIA-uitkering is aangevraagd, maakt dat volgens eiseres niet anders.
8.2
Voor zover een beroep wordt gedaan op de formele rechtskracht van het WW-besluit heeft eiseres verwezen naar arresten van de Hoge Raad [4] . Destijds was het voor eiseres niet duidelijk dat er geen WIA was toegekend en er wel een WW-uitkering was toegekend.

Standpunt UWV9.Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen inhoudelijke beroepsgronden zijn aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het primaire besluit van 2 april 2024 tot toekenning van een WIA-uitkering onjuist zou zijn. Er is dan ook geen sprake van een onrechtmatig besluit. Het UWV heeft opgemerkt geen verband te zien tussen de toekenning van de WW-uitkering en het besluit van 2 april 2024. Het staat ook niet vast dat, als in 2021 geen WW-uitkering zou zijn toegekend en er een WIA-aanvraag zou zijn geweest, deze uitkering zou zijn toegekend. Ook staat niet vast dat in dat geval de ex-werknemer niet in dienst zou zijn getreden bij eiseres. Het hebben van een WIA-uitkering staat immers niet in de weg aan het aangaan van een dienstverband.

Overwegingen rechtbank
10. Ter zitting heeft eiseres gesteld geen inhoudelijke bezwaren te hebben tegen de toekenning van de WIA-uitkering. Zij vindt echter dat de WIA-uitkering eerder had moeten worden toegekend. Daarbij heeft zij erop gewezen dat het WW-besluit naar alle waarschijnlijkheid bepalend is geweest voor het niet eerder aanvragen van een WIA-uitkering. Eiseres heeft gesteld dat het UWV, door uitsluitend af te gaan op de herstelmelding per 6 juli 2021 en die melding niet meer te toetsen bij de WW-aanvraag, onzorgvuldig heeft gehandeld.
10.1
Niet in geschil is dat de ex-werknemer in 2021 geen WIA-uitkering heeft aangevraagd. Een WIA-uitkering wordt in beginsel alleen op aanvraag toegekend. Dit is alleen anders als er sprake is van een kennelijke hardheid. [5] In dat geval is het UWV bevoegd de uitkering ambtshalve vast te stellen.
10.2
Uit de stukken kan de rechtbank niet opmaken dat er omstandigheden zijn die maken dat aangenomen moet worden dat er sprake is van kennelijke hardheid. De ex-werknemer is immers in staat gebleken om een WIA-uitkering aan te vragen. Dat hij dat om hem moverende redenen pas heeft gedaan op 22 oktober 2023 en daarbij niet heeft gevraagd om met terugwerkende kracht een uitkering toe te kennen, maakt niet dat er sprake is van kennelijke hardheid. Het UWV heeft dan ook op goede gronden de WIA-aanvraag van de ex-werknemer, met daarbij als aangegeven eerste ziektedag 13 januari 2022, als uitgangspunt genomen bij zijn beoordeling of er recht bestaat op een WIA-uitkering. Omdat uit die beoordeling volgt dat de ex-werknemer recht heeft op een WIA-uitkering is terecht besloten de ingangsdatum van de WIA-uitkering op 11 januari 2024 (104 weken na 13 januari 2022) vast te stellen.
10.3
Voor zover eiseres via het WIA-besluit de rechtmatigheid van het WW-besluit getoetst wil zien en op grond daarvan de onrechtmatigheid van het WIA-besluit wil bepleiten, is de rechtbank van oordeel dat dit buiten de omvang van het geding valt. Bij de beoordeling van het WIA-besluit zal getoetst moeten worden of terecht een WIA-uitkering is toegekend. Binnen deze WIA-beoordeling is geen plaats voor toetsing van een eerder afgegeven WW-besluit.
Verzoek om schadevergoeding
11. De bestuursrechter is bevoegd een bestuursorgaan te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding als er sprake is van een onrechtmatig besluit. [6] Omdat het beroep van eiseres tegen het WIA-besluit ongegrond wordt verklaard, kan dit besluit niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Er bestaat daarom geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen in verband met dit besluit.
11.1
Voor zover eiseres stelt dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit het besluit tot toekenning van de WW, wijst de rechtbank erop dat alleen degene die belanghebbende is bij het besluit waarvan hij stelt dat het onrechtmatig is, aangemerkt kan worden als belanghebbende in de zin van artikel 8:88 van Pro de Awb. Zoals uit de overwegingen 7.1 tot en met 7.3 blijkt is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen belanghebbende is bij het besluit van 7 juli 2021. Dat betekent dat haar verzoek om schadevergoeding, voor zover gerelateerd aan het besluit van 7 juli 2021, niet-ontvankelijk is. De bestuursrechter zal dit verzoek daarom niet inhoudelijk beoordelen.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen van eiseres zullen ongegrond worden verklaard. Omdat de beroepen ongegrond worden verklaard en het verzoek om schadevergoeding deels wordt afgewezen en deels niet-ontvankelijk wordt verklaard, krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank;
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding voor zover gerelateerd aan het WIA-besluit van 2 april 2024 af;
  • verklaart het verzoek om schadevergoeding voor zover gerelateerd aan het WW-besluit van 7 juli 2021 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. M. Breeman en mr. R.J.H. van der Linden, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2, eerste lid
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Artikel 7:1, eerste lid (voor zover van belang)
Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Artikel 8:88, eerste lid, onder a
De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
8:91, eerste lid
Indien het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, wordt het ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is.
WIA
Artikel 64, eerste lid
Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op een uitkering op grond van artikel 47 of Pro artikel 54 ontstaat Pro.
Artikel 64, tiende lid
Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het UWV bevoegd het recht op een uitkering op grond van deze wet ambtshalve vast te stellen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 8:1 Awb Pro in samenhang bezien met artikel 7.1 Awb
2.Artikel 1.2, eerste lid, van de Awb
5.Artikel 64, eerste en tiende lid, van de WIA.
6.Artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Awb