ECLI:NL:RBZWB:2026:113

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
24/6846
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over handhaving van geluidsoverlast door zwembad en glijbanen

Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een tussenuitspraak gedaan in een zaak over geluidsoverlast van een zwembad en de bijbehorende glijbanen. Eisers, bewoners van de nabijgelegen woningen, hadden een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen de geluidsoverlast veroorzaakt door het zwembad van de derde-partij, [B.V.]. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis had dit verzoek afgewezen, wat leidde tot beroep van de eisers. De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom handhavend optreden onevenredig zou zijn. De rechtbank gaf het college de gelegenheid om het motiveringsgebrek te herstellen en stelde een termijn van acht weken in om dit te doen. De rechtbank benadrukte dat het college een beginselplicht tot handhaving heeft en dat het duidelijk moet motiveren waarom handhaving in dit geval niet zou plaatsvinden. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6846 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. S.J.A. Rollé),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis.

Als derde-partij neemt aan het geding deel
[B.V.]te [woonplaats]
(gemachtigde: mr. A.W.C. Fenijn).

Procesverloop

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om handhaving van eisers. Ze hadden verzocht om handhaving tegen geluidsoverlast van het zwembad van [derde-partij] en de bijbehorende glijbanen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom handhavend optreden onevenredig is
.Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Het college krijgt de gelegenheid om het motiveringsgebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben het verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van het zwembad en met name van de glijbanen van [B.V.] (hierna: [derde-partij] ). Het college heeft dit verzoek met het besluit van 20 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 augustus 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college de afwijzing van het verzoek in stand gelaten.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. [derde-partij] heeft schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. A. van Beijsterveldt als vervanger van de gemachtigde van eisers en [geluidsdeskundige] als geluidsdeskundige, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] namens het college, [vertegenwoordiger 3] namens [derde-partij] en de gemachtigde van [derde-partij] .

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Op 2 november 2021 hebben eisers een handhavingsverzoek ingediend vanwege geluidsoverlast op de woning van eisers van met name het zwembad en de uitwendige glijbanen en de aanwezige muziekinstallatie. Ook was er sprake van overlast van trillingen en lichthinder.
3.1.
Er hebben in december 2021 twee controles plaatsgevonden, waarbij inderdaad een overschrijding van de geluidsnormen door de uitwendige glijbanen is geconstateerd. [derde-partij] is gewaarschuwd dat dit niet mag.
3.2.
Bij nieuwe controles in de periode van februari tot mei 2023 zijn weer overschrijdingen van de geluidsnormen gemeten. Het college heeft [derde-partij] nogmaals gewaarschuwd dat dit niet mag. In juli 2023 hebben nieuwe metingen plaatsgevonden.
3.3.
Op 18 december 2023 hebben eisers het college in gebreke gesteld omdat nog niet op het handhavingsverzoek was beslist. Op 20 december 2023 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen.
3.4.
Eisers hebben hier bezwaar tegen gemaakt. Het college heeft het bezwaarschrift ongegrond verklaard en de weigering om handhavend op te treden in stand gelaten.
Toetsingskader
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 2 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. [1]
Toepasselijke regelgeving
5. Niet in geschil is dat het bedrijf van vergunninghouder een inrichting is als bedoeld in de Wet milieubeheer en dat daarom het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is. Dit besluit stelt eisen aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de maximale geluidsniveaus die gelden ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen.
5.1.
In artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit is bepaald dat in de nachtperiode (23.00–7.00 uur) het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, veroorzaakt door activiteiten die door en binnen het bedrijf worden uitgevoerd, niet meer mag bedragen dan 40 dB(A) op de gevel van gevoelige gebouwen, zoals woningen. Overdag (07:00-19:00 uur) is dat 50 dB(A) en ’s avonds (19:00 – 23:00 uur) is dat 45 dB(A). Het maximale geluidsniveau ligt gedurende deze tijdsblokken op respectievelijk 60 dB(A), 70 dB(A) en 65 dB(A).
5.2.
Afwijking van deze norm is alleen mogelijk via maatwerkvoorschriften. Voor eiser gelden geen maatwerkvoorschriften voor geluid. Daarom moet worden voldaan aan de grenswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit.
5.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Was het college bevoegd handhavend op te treden?
6. Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet is het college bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien de last strekt tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert. Op grond van artikel 2.1 van de Wabo voert het college de regels omtrent het in werking hebben van een inrichting uit. Het college is ook bevoegd een last onder dwangsom op te leggen. [2] Het college is dus in beginsel bevoegd om handhavend op te treden.
Is er sprake van een overtreding?
7. Het college geeft zelf aan dat er kleine overschrijdingen van het geluidsniveau zijn gemeten. In eerste instantie zijn kleine overtredingen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau gemeten. Na het versturen van een waarschuwingsbrief op 10 januari 2023 zijn geen overtredingen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau meer geconstateerd. Er is ook geen muziekgeluid meer waargenomen.
7.1.
Na de waarschuwingsbrief zijn er nog diverse metingen geweest. Het college heeft daarbij wel kleine overschrijdingen waargenomen van het maximale geluidsniveau. Dat heeft te maken met gillende kinderen. Dat is ook precies het pijnpunt waar eisers in beroep over klagen. Naar aanleiding van de overschrijdingen is een nieuwe waarschuwingsbrief gestuurd. Na het sturen van deze waarschuwingsbrief zijn gedurende een meetperiode alsnog enkele overschrijdingen van de geluidsnormen geconstateerd als gevolg van gillende kinderen in de glijbanen. Het betrof twee overschrijdingen in de dagperiode en zeven in de avondperiode. Niet in geschil is dat daarmee sprake is van een overtreding.
Is voldoende gemeten?
8. Eisers stellen dat er onvoldoende is gemeten. Feitelijke metingen ontbreken. Het gillend geluid is constant te horen. Het college bagatelliseert ten onrechte de overlast. Ter zitting hebben eisers dit genuanceerd en met het standpunt dat er wel voldoende metingen zijn geweest, maar dat deze van onvoldoende kwaliteit zijn.
8.1.
Aan het bestreden besluit liggen meerdere meetrapporten ten grondslag, waarbij verschillende keren gedurende een langere periode van enkele weken is gemeten. Daarbij is gemeten op geluidsniveau en dat is afgezet tegen de geluidsnormen. Als daaraan voldaan wordt, is er geen sprake van een overtreding. Dat wil niet zeggen dat eisers geen overlast kunnen ervaren. Dat wil ook niet zeggen dat er onvoldoende is gemeten. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat het college niet onvoldoende heeft gemeten. Ook hebben eisers met hun geluidsdeskundige onvoldoende onderbouwd uitgelegd waarom de metingen van onvoldoende kwaliteit zijn of dat de rapportages onjuist zijn.
Beginselplicht tot handhaving
9. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
Is handhaving onevenredig?
10. Eisers stellen dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat de overtreding zo gering is dat handhaving onevenredig is. Zelfs als wel aan de norm zou worden voldaan, ervaren zij nog overlast. Het college onderschat de overlast. Bovendien zijn de rekenvoorschriften in het voordeel van [derde-partij] gebruikt, zodat aangenomen kan worden dat de daadwerkelijke overlast hoger is. Eisers verwijzen naar een deskundig tegenrapport.
10.1.
Het college stelt dat gelet op de periode waarin is gemeten het aantal overtredingen en de ernst van de overtredingen zo gering is, dat van handhavend optreden moet worden afgezien. De overschrijding van de norm is maximaal 3 dB(A) en dat is zonder apparatuur nauwelijks waarneembaar. Hij wijst daarbij ook op de maatregelen die [derde-partij] moet treffen om de piekgeluiden met maximaal 3 dB(A) terug te brengen in verhouding tot de minimale vermindering van de overlast. [derde-partij] sluit zich hierbij aan.
10.2.
Deze beroepsgrond slaagt. In het bestreden is niet duidelijk gemotiveerd waarom het college handhavend optreden onevenredig acht. Onduidelijk blijft welke maatregelen moeten worden genomen om aan de geluidsnormen te kunnen voldoen, welke kosten dit met zich meebrengt. De vraag waarom van de benodigde maatregelen moet worden afgezien in verhouding tot de met handhaving te dienen doelen is daarmee onvoldoende gemotiveerd beantwoord. Het college zal daarom alsnog inzichtelijk moeten maken welke maatregelen [derde-partij] moet nemen. Voorop staat dat het college een beginselplicht tot handhaving heeft en dat hij als hij van handhaving af wil zien duidelijk en specifiek moet motiveren waarom handhaving onevenredig is en hoe hij de belangenafweging maakt.
10.3.
Zoals hiervoor is overwogen onder 10.2 is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college een gedegen belangenafweging maken waarbij de af te wegen belangen inzichtelijk en concreet worden gemaakt. Dat houdt in dat duidelijk moet zijn welke maatregelen [derde-partij] moet nemen om aan de geluidsnormen te voldoen, voorzien van een deugdelijke onderbouwing van de kosten van deze maatregelen, en dat aan de hand daarvan afgewogen en gemotiveerd moet worden of van handhavend optreden kan worden afgezien of dat handhaving toch zou moeten. Als het college de kosten van de maatregelen te hoog acht, moet hij ook motiveren waarom hij dit vindt. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
11. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
12. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [3]
13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van
mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 12 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 2.17
1.Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
a.de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
Tabel 2.17a
07:00–19:00 uur
19:00–23:00 uur
23:00–07:00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)

[.]

Voetnoten

1.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:140.
2.Artikel 5:32 en 5:4 van de Awb
3.ABRvS, 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.