Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen. [3] Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes weken. [4] Verweerder had dus uiterlijk op 12 mei 2025 moeten beslissen. Verweerder heeft in de brief van 6 maart 2025 vermeld dat de beslistermijn is uitgesteld en dat hij tot op zijn laatst tot 4 april 2025 wacht met het behandelen van het bezwaar, omdat eiseres nog niet heeft aangegeven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. In zijn brief van 23 april 2025 vermeldt verweerder wederom dat dat de beslistermijn is uitgesteld en dat hij tot op zijn laatst tot 22 mei 2025 wacht met het behandelen van het bezwaar, omdat eiseres nog niet heeft aangegeven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Hiermee is de beslistermijn echter niet rechtsgeldig opgeschort of verlengd. Er is namelijk geen sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb in samenhang met artikel 7:10, tweede lid, van de Awb. Verweerder gaat daar overigens in de dwangsombeschikking van 29 oktober 2025 kennelijk ook vanuit. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 21 augustus 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 27 augustus 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.