ECLI:NL:RBZWB:2026:1275

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/02/443372 / JE RK 25-2296
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265h BWArt. 7:446 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing en vervangende toestemming medische behandeling minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om een machtiging tot uithuisplaatsing en vervangende toestemming voor medische behandeling van een minderjarige te verkrijgen. De minderjarige vertoont ernstige gedragsproblemen, waaronder geweld en grensoverschrijdend gedrag, die niet meer in de thuissituatie kunnen worden aangepakt.

De kinderrechter heeft de stukken en de zitting met gesloten deuren beoordeeld, waarbij de moeder, de advocaat van de vader en vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren. De vader was afwezig maar had afstand gedaan van zijn recht op verschijnen. De minderjarige gaf geen mening.

De kinderrechter oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk en proportioneel is in het belang van de minderjarige, gelet op de ernstige gedragsproblematiek, de onveilige thuissituaties bij beide ouders en de noodzaak van observatie en behandeling bij een gespecialiseerde zorginstelling. Ook wordt vervangende toestemming verleend voor de medische behandeling, bestaande uit observatie, diagnostiek en exploratieve behandeling, omdat de vader zijn toestemming weigert.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt tot 22 april 2026, tenzij de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verleent machtiging tot uithuisplaatsing en vervangende toestemming voor medische behandeling van de minderjarige tot 22 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443372 / JE RK 25-2296
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing en vervangende toestemming medische behandeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant,
locatie 's-Hertogenbosch, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] , thans verblijvende in [plaats] ,
advocaat mr. B. van der Werf te Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 december 2025;
  • het verweerschrift van de zijde van de vader, ontvangen op 27 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de advocaat van de vader;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen maar dat hij afstand heeft gedaan van het recht om ter zitting te verschijnen. De advocaat van de vader heeft daartoe verklaard dat zij begrepen heeft dat de vader ziek is.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 16 april 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 22 april 2025 tot 22 april 2026. Daarnaast is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende twee weekenden per maand uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 april 2025 tot 22 april 2026.
2.4.
Op basis van genoemde machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige] in die weekenden bij [zorginstelling 1] .

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt:
- een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden;
- vervangende toestemming te verlenen voor de medische behandeling van [minderjarige] . Deze medische behandeling betreft observatie, diagnostiek en exploratieve behandeling bij de [zorginstelling 2] ;
- de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
In het verzoekschrift is het verzoek en het standpunt van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop), samengevat, verklaard dat [minderjarige] veel heeft meegemaakt. Hij is getuige geweest van de wisselende beschikbaarheid van beide ouders en van geweld. Het gedrag van [minderjarige] intensiveert. Eerst was er nog sprake van enige verbetering hierin maar nu vertoont hij grensoverschrijdend gedrag. Zo heeft hij onder andere vuurwerk gestolen en een klasgenoot in elkaar geslagen. Voor [minderjarige] is dit normaal gedrag, hij weet niet hoe hij normaal moet omgaan met mensen. Door zijn gedrag mag hij niet meer op school komen. Bij het weekendverblijf [zorginstelling 1] is het gedrag van [minderjarige] ook niet acceptabel. De begeleiding daar staat op het punt om [minderjarige] te schorsen. In de afgelopen jaren is ingezet op forse, intensieve begeleiding. Het lijkt dan even beter te gaan maar zodra de hulpverlening stopt is er terugval in het gedrag van [minderjarige] . Het lukt niet langer om [minderjarige] in de thuissituatie te laten verblijven. Van belang is dat gekeken wordt naar waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt door een traject van observeren, diagnosticeren en behandelen binnen de [zorginstelling 2] . [minderjarige] kan daar ook naar school. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] uit het huidige patroon komt. Zijn gedrag is zodanig dat een verblijf thuis niet gaat helpen om uit dit patroon te komen. [minderjarige] heeft nog een broertje dat thuis woont. De partner van de vader zou bereid zijn om voor [minderjarige] te zorgen zolang de vader in hechtenis verblijft. Zij heeft echter aangegeven dat zij de verzorging van [minderjarige] niet aankan. Wanneer de vader mogelijk vrij komt kan hij niet direct de zorg voor de kinderen dragen. Zo waren er wapens aanwezig in het huis van de vader en wist [minderjarige] heel goed te vertellen wat witwassen is. Er moet dan ook eerst gewerkt worden aan een veilige situatie bij de vader. De [zorginstelling 2] kan op korte termijn een gesprek plannen. Op basis daarvan kan een plan worden gemaakt. Wanneer de [zorginstelling 2] meent dat het minder intensieve traject kan worden ingezet dan is plaatsing op korte termijn mogelijk. Als het inzetten van een meer intensief traject noodzakelijk is kan een plaatsing wat langer duren. De [zorginstelling 2] is in ieder geval verzocht om te bezien of er mogelijkheden zijn dat [minderjarige] bijvoorbeeld in de weekenden thuis kan zijn.
4.2.
Door de moeder is naar voren gebracht dat zij liever niet wil dat [minderjarige] uit huis geplaatst wordt. Hij is echter opgegroeid in een omgeving die niet goed was. [minderjarige] heeft veel meegemaakt door zowel haar als de vader. De [zorginstelling 2] is een tweede kans voor [minderjarige] . Hij is al zes weken thuis en kan niet naar school. [naam] , haar andere zoon, heeft het moeilijk en gaat lijden onder de huidige situatie. De moeder gunt [minderjarige] een nieuwe start. Zij vindt het belangrijk dat onderzocht wordt wat er aan de hand is. Ook wil zij met [minderjarige] in therapie gaan bij de [zorginstelling 2] . De moeder stelt dat er bij haar ook sprake is van problematiek, net als bij de vader. De moeder ziet voor nu geen toekomst voor [minderjarige] in de thuissituatie. Er is nu ook geen school die [minderjarige] zal aannemen. Hoewel de moeder het lastig vindt ziet zij op dit moment geen andere optie.
4.3.
In het verweerschrift is het standpunt van de vader toegelicht. Door de advocaat van de vader is tijdens de zitting samengevat aangevoerd dat ook de vader erkent dat [minderjarige] hulp nodig heeft. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] stuit de vader echter tegen de borst omdat hij vindt dat kinderen thuis moeten opgroeien. De situatie bij de moeder wordt ook niet veilig bevonden. Op 30 januari 2026 zal de strafrechtadvocaat tijdens de strafzitting verzoeken de voorlopige hechtenis van de vader te schorsen. De advocaat heeft van de strafrechtadvocaat begrepen dat de officier van justitie niet onwelwillend tegen schorsing van de voorlopige hechtenis staat in verband met de thuissituatie van de vader. Primair verzoekt de advocaat namens de vader om het verzoek af te wijzen dan wel dat een machtiging tot uithuisplaatsing bij zijn partner wordt verleend. De advocaat pleit subsidiair voor een machtiging tot uithuisplaatsing voor een maximale duur van twee maanden onder aanhouding van het resterende verzoek, zodat observatie en diagnostiek van [minderjarige] kan plaatsvinden. Dit is belangrijk omdat er zicht moet komen op de problematiek van [minderjarige] . De behandeling kan naar de mening van de vader in de thuissituatie plaatsvinden. Met het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor beperkte duur kan een vinger aan de pols worden gehouden.

5.De beoordeling

Machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
In artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) is opgenomen dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige uit huis te plaatsen als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn/haar geestelijke of lichamelijke gezondheid.
5.2.
Een uithuisplaatsing is een ernstige inmenging in het gezinsleven. Deze inmenging mag alleen als deze bij wet is voorzien, een legitiem doel dient en noodzakelijk is; de maatregel moet proportioneel zijn ten opzichte van het nagestreefde doel. In dat kader moet de kinderrechter beoordelen of de uithuisplaatsing noodzakelijk is, of de duur en vorm passend zijn en of terugplaatsing of lichtere alternatieven mogelijk zijn.
5.3.
Op basis van de stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijk criterium van artikel 1:265b, eerste lid, BW én dat de verzochte maatregel van uithuisplaatsing proportioneel is. Dit laatste ook in relatie tot artikel 8 EVRM Pro: de bescherming van het family life. De inbreuk hierop wordt gerechtvaardigd door het belang van de minderjarige bij bescherming van zijn leven en welzijn tegen ernstige ontsporingen die zich rond hem voordoen. Ondanks de ingezette intensieve hulpverlening in een ambulant kader en binnen de ondertoezichtstelling zijn de gedragsproblemen van [minderjarige] in een hoog tempo toegenomen. Vanuit school en weekendverblijf [zorginstelling 1] worden meermaals zorgen geuit. [minderjarige] manipuleert klas- en groepsgenoten en laat zich niet begrenzen. Dit leidt tot veel conflicten en fysieke confrontaties. Ook blijkt [minderjarige] messen te verkopen aan klasgenoten. In oktober 2025 gaat het mis bij moeder thuis. Hij vernielt spullen en dreigt met een mes/stuk glas. De GI besluit met de ouders dat [minderjarige] naar de vader gaat. Eind oktober 2025 dringt een arrestatieteam met geweld binnen, licht de vader uit bed en neemt hem mee. [minderjarige] en broertje [naam] zijn hiervan getuige. [minderjarige] en [naam] gaan terug naar moeder met intensieve betrokkenheid van het netwerk en ambulante ondersteuning. Het gedrag van [minderjarige] intensiveert opnieuw. Hij slaat een klasgenoot in elkaar met een knuppel, schopt hem terwijl hij op de grond ligt, maakt filmpjes, dwingt de klasgenoot uitspraken te doen en verspreidt de filmpjes online. School geeft aan dat [minderjarige] niet langer op school kan blijven. Bij [zorginstelling 1] vertoont [minderjarige] dusdanig gedrag dat schorsing wordt overwogen.
De GI concludeert dat op korte termijn observatie en behandeling voor [minderjarige] noodzakelijk is. Dit kan niet vanuit de thuissituatie. Er zijn zorgen over hechtingsproblematiek, onopgelost trauma en een structureel instabiele leefomgeving. [minderjarige] is zijn hele leven getuige geweest van geweld, wapens en strafbare feiten. [minderjarige] kan bij de [zorginstelling 2] wonen voor observatie, diagnostiek en behandeling. Moeder ziet in dat deze hulp noodzakelijk is en zij erkent dat zowel bij [minderjarige] , als bij haar, als bij de vader sprake is van problematiek. Daarbij geeft de moeder aan dat in de thuissituatie al veel is ingezet maar dat het daar niet meer lukt. Zij ziet een plaatsing van [minderjarige] als een laatste kans. De vader weigert toestemming voor de plaatsing te geven. Hij wil dat [minderjarige] bij hem, dan wel, zolang hij in detentie verblijft, bij zijn partner gaat wonen. Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat dit geen optie is. De thuissituatie van de vader is nu niet veilig voor [minderjarige] . Hoewel de vader stelt dat hij beschikbaar is voor [minderjarige] is de wijze waarop hij in oktober 2025 niet beschikbaar is geworden heftig geweest. Ook de verzorging en opvoeding van [minderjarige] door de partner van de vader is nu niet haalbaar. Nog los van het feit dat de partner van de vader heeft aangegeven dat zij de zorg voor [minderjarige] niet aankan, heeft [minderjarige] meer nodig. Op de [zorginstelling 2] kan [minderjarige] onderwijs hervatten, komt er zicht op zijn problematiek en krijgt hij passende hulp. Ouders worden intensief betrokken bij de behandeling en moeten werken aan een veilige, stabiele opvoedomgeving zodat [minderjarige] op termijn terug kan keren. Daarnaast wordt er vanuit de [zorginstelling 2] zo snel mogelijk gewerkt aan een situatie waar [minderjarige] in de weekenden zo veel mogelijk thuis is.
5.4.
Nu de ondertoezichtstelling van [minderjarige] afloopt op 22 april 2026 (tenzij een verzoek tot verlenging daarvan wordt ingediend én dit wordt toegewezen door de kinderrechter), zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot genoemde datum verlenen. Deze machtiging ziet enkel op plaatsing van [minderjarige] in de [zorginstelling 2] en ten aanzien van het genoemde traject.
Vervangende toestemming medische behandeling
5.5.
De kinderrechter kan vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert (artikel 1:265h, eerste lid, BW).
5.6.
De kinderrechter stelt op grond van de stukken en de behandeling ter zitting vast dat de vader geen toestemming verleent om [minderjarige] bij de [zorginstelling 2] te laten behandelen. Primair stelt de vader dat het verzoek van de GI tot afwijzing moet leiden, subsidiair stemt hij enkel in met observatie en diagnostiek bij de [zorginstelling 2] .
5.7.
Om vervangende toestemming te kunnen verlenen voor het door de GI beoogde behandeling, dient deze te kunnen worden aangemerkt als een medische behandeling in de zin van artikel 7:446 BW Pro. De rechtbank is gebleken dat het traject bij de [zorginstelling 2] bestaat uit drie elementen; observatie, diagnostiek en exploratieve behandeling. Deze elementen kunnen niet los van elkaar kunnen worden gezien, omdat de disciplines die worden ingezet voor observatie en diagnostiek tegelijkertijd al de exploratieve behandeling bieden. Om [minderjarige] te kunnen opnemen en te kunnen behandelen bij de [zorginstelling 2] is daarom toestemming voor alle elementen nodig. Met de genoemde verrichtingen wordt de (geestelijke) gezondheidstoestand van [minderjarige] beoordeeld en behandelend. Gedurende dit hele proces is een arts betrokken. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat het hiervoor bedoelde en door de GI verzochte behandeltraject, uit te voeren door de [zorginstelling 2] , valt onder de reikwijdte van het begrip medische behandeling.
5.8.
De kinderrechter verwijst hierbij naar een uitspraak uit 2020 van een kinderrechter van de rechtbank Rotterdam, waarin is overwogen dat voornoemde behandeling een specifieke medische behandeling betreft, zoals bedoeld in de Memorie van Toelichting bij artikel 1:265h BW (ECLI:NL:RBROT:2020:10519). Deze behandeling wordt alleen door de [zorginstelling 2] aangeboden, is intensief en omvangrijk en vraagt nauwe samenwerking tussen behandelaars, gedragsdeskundigen en medici. Dit is ook in de onderhavige zaak het geval.
5.9.
Ten aanzien van de noodzaak van de beoogde medische behandeling verwijst de kinderrechter naar hetgeen hiervoor onder 5.3. is overwogen. Gelet op de ernst van de gedragsproblematiek van [minderjarige] , hij al langere tijd niet naar school kan en het verblijf bij [zorginstelling 1] onder druk staat, is het in zijn dat hij op een zo kort mogelijke termijn op de [zorginstelling 2] geplaatst, onderzocht en behandeld kan worden. Ondanks de inzet van de moeder, het netwerk en ambulante hulpverlening staat de situatie onder spanning. Ook broertje [naam] lijdt onder de situatie. De verwachting dat [minderjarige] opnieuw in een onveilige situatie raakt is zeer reëel te noemen.
5.10.
Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:265h BW. De kinderrechter zal daarom vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van [minderjarige] , inhoudende observatie, diagnostiek en exploratieve behandeling bij de [zorginstelling 2] .
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 januari 2026 tot 22 april 2026;
6.2.
verleent vervangende toestemming voor de medische behandeling van [minderjarige] , inhoudende: observatie, diagnostiek en exploratieve behandeling bij de [zorginstelling 2] ;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.