ECLI:NL:RBZWB:2026:1345
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €11.506 opgelegd door de inspecteur. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Tijdens de zitting op 18 februari 2026 bereikten partijen een compromis waarbij de naheffingsaanslag met €2.500 werd verminderd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en paste deze vermindering toe.
Daarnaast verzocht belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de afhandeling van het bezwaar. De rechtbank stelde vast dat de termijn met ongeveer 14 maanden was overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een schadevergoeding van €1.500. Deze vergoeding werd verdeeld tussen de inspecteur en de Staat.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot betaling van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende. De totale proceskostenvergoeding bedroeg €3.200. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en is openbaar gemaakt op 25 februari 2026.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd met €2.500 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.