ECLI:NL:RBZWB:2026:1358

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/4652
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij Wmo-maatwerkvoorziening

Eiser, bekend met een autismespectrumstoornis, had een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding toegekend gekregen door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg. Na een aanvraag tot verlenging stelde het college een plan van aanpak op met een pgb van 90 minuten per week tot 30 november 2024 en 60 minuten per week vanaf 1 december 2024. Het college wijzigde dit later in besluiten van 18 maart 2025 en 3 juni 2025, waarbij de minuten pgb voor de tweede periode werden verlaagd.

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2025, omdat hij minder begeleiding kreeg dan gewenst. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het latere besluit van 3 juni 2025 het bezwaar grotendeels tegemoet kwam. Eiser stelde dat het college ten onrechte het besluit van 20 juni 2024 niet uitvoerde, waardoor hij schade zou hebben geleden.

De rechtbank oordeelde dat het geschil betrekking had op een verstreken periode en dat eiser inmiddels een pgb had toegekend gekregen voor een latere periode, waarover partijen het eens zijn. Eiser had geen materiële schade omdat hij niet meer begeleiding afnam dan toegekend, en onvoldoende concreet immateriële schade aangetoond. Daarom ontbrak het aan procesbelang en werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Eiser kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4652 WMO15

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg(het college).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van eisers bezwaar tegen de besluiten van het college van 18 maart 2025 en 3 juni 2025, met betrekking tot de aan hem toegekende maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), vanwege het ontbreken van procesbelang. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is bekend met een autismespectrumstoornis. Het college heeft aan hem een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding via IQ Coaches.
2.1.
Na een aanvraag tot verlenging van zijn maatwerkvoorziening, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de behoeften van eiser aan ondersteuning. Daartoe is een keukentafelgesprek gehouden en is een plan van aanpak opgesteld. In dit plan van aanpak is vastgelegd dat aan eiser een maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor individuele begeleiding in de vorm van een pgb gedurende 90 minuten per week voor de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 november 2024 en gedurende 60 minuten per week voor de periode van 1 december 2024 tot en met 31 mei 2025. Eiser heeft het plan van aanpak op 18 juni 2024 voor akkoord getekend.
2.2.
Met het besluit van 20 juni 2024 heeft het college aan eiser een pgb toegekend voor individuele begeleiding gedurende 90 minuten per week voor de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 november 2024 en ook gedurende 90 minuten per week voor de periode van 1 december 2024 tot en met 31 mei 2025.

Procesverloop

3. Met het besluit van 18 maart 2025 (primair besluit I) heeft het college onder verwijzing naar het plan van aanpak aan eiser medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een pgb voor individuele begeleiding en wel voor de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 november 2024 gedurende 90 minuten per week en voor de periode van 1 december 2024 tot en met 31 mei 2025 gedurende 60 minuten per week, naar een tarief van € 66,14 per uur. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
3.1.
Met het besluit van 3 juni 2025 (primair besluit II) heeft het college de beschikking herzien en eiser medegedeeld dat hij recht heeft op een pgb voor individuele begeleiding gedurende 90 minuten per week voor de periode van 1 december 2024 tot en met 18 maart 2025. Daarnaast is de indicatie (administratief) verlengd met twee maanden, waarmee aan eiser een pgb is toegekend gedurende 60 minuten per week voor de periode van 19 maart 2025 tot en met 31 juli 2025. Ook is een uurtarief vermeld van € 66,14 voor 2024 en € 69,39 voor 2025.
3.2.
Met de beslissing op bezwaar van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
3.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.5.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college mr. J. Jansen.

Bestreden besluit

4. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser niet langer een procesbelang heeft bij zijn bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2025, omdat met het primair besluit van 3 juni 2025 volledig is tegemoetgekomen aan eisers bezwaar. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is volgens het college onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daartoe wijst het college op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1394.

Gronden van eiser

5. Eiser voert in beroep aan dat hij de wens had uitgesproken om voor de gehele periode van 1 jaar pgb te ontvangen voor individuele begeleiding gedurende 90 minuten per week. Hij heeft echter geen verslag van het gesprek ontvangen en in het plan van aanpak is hierover niets vermeld. De daarin vermelde conclusie was geen onderdeel van het gesprek. Omdat de inhoud van het besluit van 20 juni 2024 overeenkwam met zijn wens, heeft hij hierop niet gereageerd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 maart 2025, omdat dit hem rechtstreeks in zijn belang raakt. Met dit besluit krijgt hij immers minder minuten pgb voor individuele begeleiding dan met het besluit van 20 juni 2024. Ook het later genomen besluit van 3 juni 2025 komt niet tegemoet aan zijn bezwaar. Daarin is benoemd dat het besluit van 18 maart 2025 niet juist is, maar is vervolgens vanaf 19 maart 2025 een lager aantal minuten pgb toegekend dan met het besluit van 20 juni 2024. Ook heeft het college volgens eiser ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat geen sprake is van intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit. Het bestreden besluit van 20 juni 2024 is immers voor de periode van 1 november 2024 tot en met 31 mei 2025 nooit uitgevoerd, terwijl hij wel met zijn zorgverlener een budgetplan heeft ondertekend.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geschil
6. De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn over de toekenning van pgb voor de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 november 2024 gedurende 90 minuten per week en voor de periode van 1 december 2024 tot en met 18 maart 2025 gedurende 90 minuten per week. Ook zijn zij het eens over de uurtarieven, genoemd in de besluiten van 20 juni 2024 en 3 juni 2025. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het recht op pgb voor de periode van 19 maart 2025 tot en met 31 juli 2025.
Belang bij inhoudelijke beoordeling van het beroep
7. Alvorens toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden van eiser, dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
7.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB [1] is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
7.2.
Het geschil gaat over een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb over een periode die is verstreken. Niet is gebleken dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Uit het dossier volgt dat eiser verlenging van zijn recht op pgb heeft aangevraagd. Partijen hebben ter zitting verklaard dat aan eiser een pgb is toegekend voor individuele begeleiding gedurende 90 minuten per week voor de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 december 2025. Na bezwaar is de periode aangepast naar 1 augustus 2025 tot en met 31 juli 2026. Eiser is het hiermee eens. Dit besluit staat daarmee onherroepelijk vast.
7.3.
Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij procesbelang heeft, omdat het college ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan het besluit van 20 juni 2024, waardoor voor hem over de periode van 1 november 2024 tot en met 31 juli 2025 niet het pgb beschikbaar was voor begeleiding gedurende 90 minuten per week. Dit was wel noodzakelijk gezien zijn hulpvraag. In die periode zijn zaken blijven liggen of niet opgepakt. Ook is schade ontstaan in de omgang met zijn zorgverlener, omdat het contract moest worden aangepast.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen materiële schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. Eiser had in de in geschil zijnde periode naar eigen zeggen weliswaar behoefte aan meer minuten begeleiding, maar hij heeft, zo heeft hij ter zitting verklaard, niet meer dan 60 minuten begeleiding per week afgenomen. Nu eiser de door hem gewenste extra begeleiding niet heeft afgenomen en dus ook (zelf) geen (voorschot op de) kosten voor extra minuten begeleiding heeft gemaakt, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van financiële schade.
7.5.
Daarnaast acht de rechtbank onaannemelijk dat eiser immateriële schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Eiser heeft onvoldoende concreet gemaakt waaruit de door hem gestelde (immateriële) schade bestaat. Ondanks dat het contract met zijn zorgverlener moest worden aangepast, is de zorgverlening immers onverminderd gedurende 60 minuten per week voortgezet.

Conclusie en gevolgen

8. Uit het voorgaande volgt dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
8.1.
Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 3 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraken van de CRvB van 20 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:329 en van 2 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1547.