ECLI:NL:RBZWB:2026:1366

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
BRE 24/6478 WABO
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 8.1 Bouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek bouwveiligheidsplan

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 juli 2024 waarbij het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen een omgevingsvergunning verleende aan een vergunninghouder voor herstelwerkzaamheden en aanpassingen aan een gevel. De rechtbank behandelde het beroep op 20 juni 2025 en stelde in een tussenuitspraak dat het college ten onrechte geen rekening had gehouden met een e-mail waarin gerechtvaardigd vertrouwen werd gewekt dat een bouwveiligheidsplan zou worden geëist.

Het college kreeg de gelegenheid het gebrek in het besluit te herstellen en diende op 27 oktober 2025 een aanvullende motivering in waarin werd gesteld dat een bouwveiligheidsplan niet noodzakelijk was vanwege een lage risicoscore en het ontbreken van bijzondere omstandigheden. Eiseres betwistte deze motivering en verwees naar een WOO-verzoek waaruit bleek dat het college op de hoogte was van schade aan de woning.

De rechtbank oordeelt dat het college het gebrek voldoende heeft hersteld met de aanvullende motivering en dat de omgevingsvergunning terecht is verleend. Desondanks verklaart de rechtbank het beroep gegrond vanwege het aanvankelijke motiveringsgebrek, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het college wordt tevens opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6478 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen (college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder),
(gemachtigde: mr. C.A.F. Haans).

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 juli 2024 (bestreden besluit) inzake de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghouder.
Het college heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [deskundige 1] en [deskundige 2] als deskundige meegebracht door eiseres. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Namens vergunninghouder was aanwezig [vertegenwoordiger] .
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.
In de tussenuitspraak van 22 augustus 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. [1] Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de e-mail van 23 augustus 2023. Eiseres kon aan deze e-mail het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat het college in het kader van de heroverweging van de verleende omgevingsvergunning alsnog een bouwveiligheidsplan zou vereisen. Het gegeven dat bij de heroverweging van de verleende omgevingsvergunning geen bouwveiligheidsplan is overgelegd en in dit verband geen belangenafweging is gemaakt, maakt dat het bestreden besluit lijdt aan een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.
Herstelpoging van het college
3.1.
Om het gebrek te herstellen heeft het college op 27 oktober 2025 een aanvullende motivering gegeven. Het college is van mening dat hoewel een toezichthouder heeft verklaard dat het college een bouwveiligheidsplan ‘verlangt’, een bouwveiligheidsplan in deze situatie niet noodzakelijk is.
3.2.
Het college heeft de veiligheidsrisico’s bij de aanvraag van de omgevingsvergunning beoordeeld. Uit de risicomatrix kwam echter een score lager dan 12, zodat een bouwveiligheidsplan niet noodzakelijk was. Ook was geen sprake van bijzondere omstandigheden die toch maken dat een bouwveiligheidsplan alsnog geëist moe(s)t worden. Het was dan ook onredelijk om van de vergunninghouder alsnog te eisen dat een bouwveiligheidsplan werd overgelegd. Gezien het feit dat geen sprake was van één van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en sprake is van een zogeheten gebonden beschikking, zou het ook niet op zijn plaats zijn geweest om alsnog over te gaan tot vernietiging van de aan de vergunninghouder verleende omgevingsvergunning, omdat eiseres had verwacht dat een bouwveiligheidsplan zou worden aangeleverd.
3.3.
Overigens staat in de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit [2] dat de functionele eis van artikel 8.1, eerste lid, van het Bouwbesluit duidelijk maakt dat onveilige situaties niet volledig voorkomen kunnen worden. Verder is niet gebleken van schade of gevaarzetting als gevolg van die bouwwerkzaamheden. Gelet op het doel van het indienen van een bouwveiligheidsplan, te weten het zoveel mogelijk voorkomen van het toebrengen van schade of gevaarzetting als gevolg van die werkzaamheden, ziet het college geen aanleiding om te concluderen dat de omgevingsvergunning onterecht is verleend of dat onterecht geen bouwveiligheidsplan is aangeleverd. Tijdens de zitting van 20 juni 2025 is tevens gebleken dat enkel nog stucwerk moest worden uitgevoerd. Het college ziet overigens ook niet in welk doel zou worden bereikt door in dit stadium alsnog een bouwveiligheidsplan te eisen.
Zienswijze eiseres
4. In reactie op de herstelpoging van het college heeft eiseres bij brief van
16 december 2025 geschreven dat zij zich niet kan vinden in wat het college presenteert als feiten en omstandigheden en het daarop gestoelde besluit. Uit een verzoek op grond van de Wet open overheid (WOO) blijkt dat er geen enkele basis is waarop het besluit van het college is genomen. Daarnaast blijkt uit de e-mail wel degelijk dat het college op de hoogte was van schade aan de woning.
Heeft het college het gebrek hersteld?
5. De rechtbank is van oordeel dat het college met de aanvullende motivering het gebrek voldoende heeft hersteld. Met de in het bestreden besluit opgenomen overwegingen en de aanvullingen daarop heeft het college voldoende onderbouwd dat, hoewel een toezichthouder heeft verklaard dat het college een bouwveiligheidsplan ‘verlangt’, een bouwveiligheidsplan in deze situatie niet noodzakelijk is. Hierbij neemt de rechtbank in acht dat uit de risicomatrix een score lager dan 12 volgt, zodat een bouwveiligheidsplan niet noodzakelijk is. Ook is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die toch maken dat een bouwveiligheidsplan alsnog geëist moe(s)t worden. Ten slotte heeft het college terecht opgemerkt dat tijdens de zitting van 20 juni 2025 is gebleken dat enkel nog stucwerk moest worden uitgevoerd.

Conclusie en gevolgen

6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd waarom in het concrete geval van eiseres geen bouwveiligheidsplan noodzakelijk was en de omgevingsvergunning terecht is verleend. Het college heeft dit besluit echter pas na de tussenuitspraak voldoende gemotiveerd. Dat betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak de gebreken heeft hersteld en het besluit voldoende gemotiveerd heeft, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de herstelwerkzaamheden en aanpassingen aan de gevel van de woning aan de [adres] mochten worden uitgevoerd.
6.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.C.J.J. van Roij, griffier op 4 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze tussenuitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:51a
1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
2. De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid, onder a
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk (…)
Artikel 2.l0
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of Pro 120 van de Woningwet;
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van Pro die wet;
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
Bouwbesluit 2012
Artikel 8.2
1. Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van:
letsel van personen op een aangrenzend perceel of een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen;
letsel van personen die het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden, en
beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen.
2. Bij bouw- en sloopplaatsen van een te bouwen of te slopen gebouw wordt een veiligheidsafstand vrijgehouden bepaald volgens paragraaf 6.2 van de Landelijke richtlijn Bouw- en sloopveiligheid, versie 1.2 augustus 2018.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5716.