ECLI:NL:RBZWB:2026:1369

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
25/2810
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek beëindiging ZW-uitkering na scooterongeval

Eiser was tot oktober 2015 werkzaam en ontving daarna een WW-uitkering. Na ziekmelding in april 2016 wegens klachten door een scooterongeval in 2014, kende het UWV hem een ZW-uitkering toe. In november 2017 beëindigde het UWV deze uitkering na een eerstejaarsbeoordeling. Eiser stelde dat nieuwe feiten en veranderde omstandigheden, waaronder een mislukte operatie in 2018 en rapportages van een gemeente en coachingsbureau, recht geven op herziening.

Het UWV wees het herzieningsverzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren. De rechtbank toetste dit en oordeelde dat de klachten en beperkingen reeds bekend waren en meegenomen in eerdere beoordelingen. Een mislukte operatie en verminderde belastbaarheid in de praktijk vormen geen nieuwe feiten in de zin van de Awb.

De rechtbank concludeerde dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist was en dat ook de duuraanspraak (herziening voor de toekomst) niet voldoende was onderbouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van het herzieningsverzoek standhoudt en eiser geen recht heeft op vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2810 ZW

uitspraak van 5 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R. Joosen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om het besluit van 28 november 2017 te herzien. Eiser is hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 december 2023 een herzieningsverzoek ingediend. Het UWV heeft het herzieningsverzoek met het besluit van 23 mei 2024 afgewezen (primaire besluit). Met het bestreden besluit van 10 april 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing gebleven.
2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en [gemachtigde] namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eiser was tot 31 oktober 2015 werkzaam als productiemedewerker bij [werkgever] B.V. Daarna ontving eiser een Werkloosheidsuitkering (WW). Vanuit die situatie heeft eiser zich op 18 april 2016 ziek gemeld vanwege (linker) armklachten, knieklachten, en pijnklachten aan het borstbeen als gevolg van een scooterongeval in 2014. Het UWV heeft aan eiser met ingang van 2 juni 2016 een ZW-uitkering toegekend. Met het besluit van 28 november 2017 heeft het UWV na een zogeheten eerstejaarsbeoordeling de ZW-uitkering van eiser per 18 mei 2017 beëindigd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is door de rechtbank op 28 mei 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld.
3.1
Op 19 december 2023 heeft eiser een herzieningsverzoek ingediend. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn de besluiten genomen zoals die staan vermeld onder het kopje procesverloop.
Het standpunt van eiser
4. Eiser stelt dat hij wegens nieuw gebleken feiten dan wel veranderde omstandigheden niet in staat is arbeid te verrichten. De operatie van medio 2018 heeft geen baat gehad. Eiser is thans uitbehandeld. Om zijn standpunt te onderbouwen verwijst eiser naar de toelichting van de gemeente Geertruidenberg en een rapportage van [coachingsbureau] , waaruit volgt dat hij ongeschikt wordt geacht voor arbeid. Eerder was [cardiothoracale chirurg] dezelfde mening toegedaan. Volgens eiser bleek pas later dat een operatie geen uitkomst bood. Hierdoor zijn de medische objectiveerbare aandoening en de beperkingen die hieruit voortvloeien nu alsnog – in tegenstelling tot 2017 – beter in te schatten.
4.1
Subsidiair stelt eiser dat sprake is van een evident onredelijk bestreden besluit. Het staat volgens hem vast dat hij niet in staat is om arbeid te verrichten, hetgeen destijds al bevestigd was door zijn behandelend arts. Eiser heeft alles in het werk gesteld, maar dit heeft niet mogen baten. Hiermee staat volgens eiser vast dat geen sprake kan zijn van een theoretische restverdiencapaciteit. De belastbaarheid is door de verzekeringsarts b&b toentertijd verkeerd ingeschat.
4.2
Tot slot stelt eiser aan dat er voldoende nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om terug te komen op de beslissing van 28 november 2017 en die aanleiding geven om de ZW-uitkering op een later moment weer te heropenen (duuraanspraak).
Besluitvorming
5. Het UWV heeft het herzieningsverzoek afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden.
Heeft het UWV terecht geconcludeerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen op het besluit van 28 november 2017?
6. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft eerder geoordeeld dat een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering, naar zijn strekking moet worden beoordeeld. [1] Met een aanvraag kan worden beoogd dat met ingang van de datum waarop dat besluit zag wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), dan wel een beroep wordt gedaan op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid, ofwel om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). Het onderscheid in wat de aanvrager heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het bestuursorgaan en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.
6.1
Bij een aanvraag die ziet op een herziening voor het verleden, kan het Uwv beoordelen of er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen van dat eerdere besluit. Het Uwv kan op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ervoor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden er volgens hem niet zijn. Het Uwv mag de aanvraag ook inhoudelijk behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen, ook als de aanvrager daaraan geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Voor het toetsingskader van de rechtbank is van belang welke keuze het Uwv maakt.
6.2
Het Uwv heeft er in dit geval voor gekozen het verzoek van eiser om herziening voor het verleden af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit(en), omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Dit betekent dat de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden moet toetsen of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
6.3
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de rechtbank niettemin aan de hand van de aangevoerde gronden tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. [2]
6.4
Eiser stelt dat nu blijkt dat zijn situatie toentertijd is onderschat en hij ongeschikt moet worden geacht voor werk. Ter onderbouwing verwijst eiser naar twee stukken die bij zijn herzieningsverzoek zijn ingediend, namelijk een toelichting van de gemeente Geertruidenberg en een rapportage van [coachingsbureau] . De gemeente Geertruidenberg voert aan dat de beperkingen die op papier zijn gezet door de artsen niet de zeer beperkte belastbaarheid weergeven die nu in de praktijk gezien wordt. [coachingsbureau] concludeert dat er voor hem geen mogelijkheden zijn binnen het maatschappelijke systeem om financiële waarde te creëren en zo in zijn eigen onderhoud kan gaan voorzien.
6.5
De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 18 februari 2025 terecht heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen op het besluit van 28 november 2017. Dat het werken in de praktijk niet is gelukt, betekent niet dat de belastbaarheid van eiser voor arbeid in het besluit van 28 november 2017 onjuist is vastgesteld. De klachten van eiser, waaronder knieklachten en pijn in het borstbeen, waren al bekend en door de verzekeringsartsen meegenomen in de rapportage. Dat de latere operatie niet de uitkomst heeft geboden die eiser hoopte impliceert niet dat de eerdere beoordeling onjuist is geweest. Niet gesteld noch gebleken is dat door de operatie de situatie van eiser is verslechterd. Ter zitting heeft eiser juist aangegeven dat zijn pijn iets is verminderd. Bovendien was al bekend dat eiser nog geopereerd zou worden, dus dat is op zichzelf ook geen nieuwe feit. Bovendien kwalificeert een (eventuele) verslechtering van de bestaande situatie niet als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoel in artikel 4:6 van Pro de Awb. Hierdoor slaagt deze beroepsgrond niet.
Is de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk?
7. Bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [3] De rechtbank is, gezien overweging 6, van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de besluiten waar het in deze zaak om gaat onmiskenbaar onjuist zijn.
Heeft het Uwv terecht herziening voor de toekomst geweigerd (duuraanspraak)?
7. Eiser heeft ook verzocht om terug te komen van het eerdere besluit voor de toekomst. In dat geval wordt van eiser verwacht dat hij feiten of omstandigheden vermeldt die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. Met name zijn hierbij feiten en omstandigheden relevant die – ten minste ook – zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. Alleen als eiser zijn aanvraag deugdelijk en toereikend heeft onderbouwd, moet door het Uwv worden onderzocht of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was.
8. Overweging 6 in acht genomen, wordt in wat eiser aanvoert geen aanleiding gezien voor de conclusie dat herziening voor de toekomst had moeten plaatsvinden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv terecht ook herziening voor de toekomst heeft geweigerd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van A.M.H. Meulensteen, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 8 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2421.