Belanghebbende, eigenaar en gebruiker van een hotel, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €4.275.000 en de daaraan gekoppelde aanslagen OZB en rioolheffing. De heffingsambtenaar wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de tijdens de zitting toegelichte standpunten en concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarde onderbouwd met de huurwaardekapitalisatiemethode en vergelijkingsobjecten, terwijl belanghebbende onvoldoende cijfermatige onderbouwing leverde voor een lagere waarde.
Verder wees de rechtbank het bezwaar tegen de rioolheffing af omdat dit niet binnen het geschil viel. Het verzoek om vrijstelling van griffierecht werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van betalingsonmacht. Wel werd een immateriële schadevergoeding van €50 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van één maand. Daarnaast werden proceskosten van €23,35 aan belanghebbende toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.