ECLI:NL:RBZWB:2026:1436

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/5612
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Besluit gezondheidszorgpsycholoogArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen gestelde termijn beslissen op aanvraag aanwijzing opleidingsinstelling gezondheidszorgpsycholoog

Silver Specialistische Zorg B.V. heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op haar aanvraag van 21 juli 2025 tot aanwijzing als opleidingsinstelling voor gezondheidszorgpsycholoog. De rechtbank constateert dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiseres de minister op 16 september 2025 in gebreke heeft gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder besluit.

De minister verzocht om een langere beslistermijn vanwege de noodzaak advies in te winnen bij de Commissie Registratie en Toezicht (CRT) en het doorlopen van een visitatieproces, dat enkele maanden kan duren. De rechtbank acht een termijn tot 1 september 2026 redelijk om een zorgvuldige besluitvorming mogelijk te maken.

De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de minister de nieuwe termijn overschrijdt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. Het beroep wordt zonder zitting behandeld en gegrond verklaard.

Uitkomst: De minister moet binnen 1 september 2026 alsnog beslissen op de aanvraag en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5612

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

Silver Specialistische Zorg B.V., uit Tilburg, eiseres

(gemachtigde: mr. K.J. Breedijk),
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 21 juli 2025 tot aanwijzing als opleidingsinstelling voor het verzorgen van de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog op grond van artikel 6 van Pro het Besluit gezondheidszorgpsycholoog (hierna: het Besluit).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft de minister op 16 september 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan de minister opgelegd?
4. Omdat de minister nog geen nieuw besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
De minister heeft in het verweerschrift van 4 december 2025 verzocht om een langere termijn dan twee weken te bepalen op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De minister geeft aan dat er sprake is van een bijzonder geval. Om een beslissing te kunnen nemen op de aanvraag van eiseres dient de minister vooraf advies te vragen aan de Commissie Registratie en Toezicht (hierna: CRT) van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten. De minister geeft aan nog geen advies in te kunnen winnen omdat de CRT advies geeft op basis van bevindingen van een visitatiecommissie. Op 9 juli 2025 is uitspraak gedaan over de besluitvorming na een eerdere aanvraag van eiseres tot aanwijzing als opleidingsinstelling door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. [2] Hieruit volgt onder meer dat het noodzakelijk is dat voorafgaand aan de visitatie voor alle partijen duidelijk is hoe invulling wordt gegeven aan de open normen in het Besluit. De minister geeft aan bezig te zijn met het concretiseren van de open normen uit het Besluit in beleidsregels en verwacht deze uiterlijk 19 december 2025 te publiceren. Na publicatie kan eiseres haar aanvraag aanvullen. Daarbij geeft de minister aan dat hiervoor in overleg met eiseres een termijn aan wordt gekoppeld, welke voor nu nog onbekend is. Vervolgens geeft de minister aan dat het visitatieproces een gebruikelijke doorlooptijd heeft van vier tot zes maanden. Verder geeft de minister aan dat indien ten nadele van eiseres wordt geadviseerd door de CRT, de minister eiseres in de gelegenheid moet stellen hierop te reageren en vervolgens een zorgvuldige afweging moet maken.
4.3.
De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op 5 maart 2026 telefonisch laten weten dat er inmiddels gesprekken zijn geweest, maar dat die niet hebben geleid tot afspraken over een beslistermijn. Eiseres vindt een termijn tot 1 juli 2026 redelijk.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat de minister tot 1 september 2026 de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
5. Eiseres verzoekt om een dwangsom van € 1.000,- per dag op te leggen. De rechtbank ziet in wat de minister heeft aangevoerd geen aanleiding om af te zien van het opleggen van een dwangsom. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, de minister tot 1 september 2026 de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op uiterlijk 1 september 2026 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.