ECLI:NL:RBZWB:2026:1444

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/7321
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing te late aanvraag zorgtoeslag over 2020 en 2021 conform dwingende termijn

Eiser diende op 22 maart 2024 een aanvraag in voor zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021, terwijl de uiterste indieningstermijnen respectievelijk 1 september 2021 en 1 september 2022 waren. Dienst Toeslagen wees de aanvraag af wegens te late indiening. Eiser maakte bezwaar, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege te late indiening, maar later alsnog ontvankelijk werd verklaard. De inhoudelijke afwijzing bleef gehandhaafd.

Eiser voerde aan dat hij in België verbleef en niet op de hoogte was van de Nederlandse regels, en dat uitzonderingen voor personen in het buitenland zouden moeten gelden. Ook wees hij op zijn lage inkomen en betaalde zorgkosten voor zijn partner. De rechtbank overwoog dat de Awir een dwingende termijn stelt voor het indienen van aanvragen en dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een harde grens zonder ruimte voor afwijking.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die bevestigt dat ook voor Nederlanders in het buitenland geen uitzondering geldt. Onbekendheid met de regels is voor risico van de aanvrager. Er is geen sprake van een door de overheid gemaakte fout die compensatie rechtvaardigt.

De rechtbank concludeerde dat Dienst Toeslagen de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de te late aanvraag zorgtoeslag over 2020 en 2021.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7321

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om in aanmerking te komen voor zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen terecht het besluit heeft gehandhaafd om eiser niet in aanmerking te brengen voor zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 maart 2024 een aanvraag ingediend voor zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021.
2.1.
Met het besluit van 10 mei 2024 (primair besluit) heeft Dienst Toeslagen deze aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ingediend. Eiser kon tot 1 september 2021 zorgtoeslag over 2020 aanvragen en tot 1 september 2022 kon hij zorgtoeslag over 2021 aanvragen.
2.2.
Met een brief, gedateerd op 18 juni 2024, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Deze brief is echter retour afzender gestuurd, omdat eiser per abuis twee cijfers van het postbusnummer had verwisseld. Op 18 juli 2024 heeft eiser opnieuw een bezwaarschrift ingediend.
2.3.
Met de beslissing op bezwaar van 11 september 2024 (bestreden besluit I) heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat was ingediend.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 11 september 2024.
2.5.
Op 18 februari 2025 heeft Dienst Toeslagen een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van eiser (bestreden besluit II). Dienst Toeslagen acht het bezwaar van eiser alsnog ontvankelijk, omdat zij de overschrijding van de bezwaartermijn in eisers specifieke situatie verschoonbaar acht. Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiser alsnog inhoudelijk beoordeeld, maar is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.6.
Eiser heeft zijn beroepsgronden aangevuld.
2.7.
Dienst Toeslagen heeft op eisers beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens Dienst Toeslagen. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Wat beoordeelt de rechtbank?
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit I, zoals gewijzigd met het bestreden besluit II.
3.1.
Met het bestreden besluit II heeft Dienst Toeslagen de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag om zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021 gehandhaafd. Dienst Toeslagen wijst eisers aanvraag af, omdat de aanvraag te laat is ingediend. Eiser kon tot 1 september 2021 zorgtoeslag over 2020 aanvragen en tot 1 september 2022 kon hij zorgtoeslag over 2021 aanvragen.
Wat voert eiser aan?
4. Eiser heeft aangevoerd dat Dienst Toeslagen geheel voorbijgaat aan het feit dat hij in België verbleef en niet op de hoogte was van de mogelijkheden en regels in Nederland. Het argument van Dienst Toeslagen dat zorgtoeslag een directe tegemoetkoming is, betekent niet dat er geen noodzaak tot het ontvangen van zorgtoeslag kan zijn. Eiser heeft een laag inkomen en moet een aflossing aan zijn bank doen anders verliest hij zijn lopende betaalkrediet. Eiser wijst erop dat zijn aanvraag slechts ziet op twee jaren (2020 en 2021) in plaats van zes jaren (2015 t/m 2021), wat hij ook had kunnen aanvragen.
4.1.
In een aanvullend beroepschrift heeft eiser erop gewezen dat door hem in 2020 en 2021 ook zorgkosten zijn betaald voor zijn toenmalige partner. Eiser kan zich voorstellen dat een uitzondering voor late aanvragen niet geldt voor personen die in Nederland wonen, maar wel voor personen die in het buitenland wonen.
Eiser wijst erop dat bij kinderopvangtoeslag en inmiddels ook bij het UWV in hoge mate van de bestaande regels wordt afgeweken en uitzonderingen worden toegepast met hoge vergoedingen. Bovendien stelt hij dat is gebleken dat de Raad van State in toeslagenzaken diverse malen met adviezen de fout in is gegaan.
Ten slotte stelt eiser dat Dienst Toeslagen hem verwijst naar andere instanties, zoals schuldhulpverlening, maar geen van de instanties gaf thuis.
Heeft Dienst Toeslagen de zorgtoeslag voor de jaren 2020 en 2021 op goede gronden afgewezen?
5. Zorgtoeslag is een tegemoetkoming in de premie voor de zorgverzekering, waarbij de hoogte van de toeslag afhankelijk is van de draagkracht. Op grond hiervan voldoet de zorgtoeslag aan de definitie van een inkomensafhankelijke regeling, zodat het regime van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is.
5.1.
Uit artikel 15, eerste lid, van de Awir volgt dat een aanvraag voor zorgtoeslag tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar kan worden ingediend, tenzij door de inspecteur tot een latere datum uitstel is verleend voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting.
5.2.
Aan eiser is geen uitstel is verleend voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting 2020 of 2021 2022. Hij kon daarom tot 1 september 2021 zorgtoeslag over 2020 aanvragen en tot 1 september 2022 kon hij zorgtoeslag over 2021 aanvragen.
5.3.
De rechtbank overweegt dat de tekst van artikel 15, eerste lid, van de Awir dwingend is en de rechtbank geen ruimte laat om van de uiterste indieningstermijn af te wijken of de te late aanvraag verschoonbaar te achten. Uit de Memorie van Toelichting [1] op de Awir blijkt ook dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om het indienen van een aanvraag na de uiterlijke indieningsdatum niet toe te staan:
“Het karakter van inkomensafhankelijke tegemoetkomingen laat niet toe dat deze ook nog worden verleend als er een lange tijd is verstreken na het moment waarop de desbetreffende uitgaven zijn gedaan. De tegemoetkomingen worden immers juist gegeven omdat ervan wordt uitgegaan dat de belanghebbende de bewuste uitgaven niet zou kunnen doen zonder tegemoetkoming.”
De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 januari 2016 [2] .
5.4.
Eiser heeft aangevoerd dat hij in België verbleef en niet op de hoogte was van de mogelijkheden en regels in Nederland. Eiser vindt dat een uitzondering voor late aanvragen zou moeten gelden voor personen die in het buitenland wonen.
5.5.
De rechtbank begrijpt dat eiser vindt dat hem de te late aanvraag onterecht wordt tegengeworpen en dat eiser daarmee een beroep op het evenredigheidsbeginsel doet.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van eiser, heeft de Afdeling in de uitspraak van 16 augustus 2023 [3] uiteengezet dat de essentie van een dwingend geformuleerde termijnbepaling is dat degenen die niet of niet tijdig hun aanvraag indienen hun rechten verspelen, ook als zij daardoor financieel of anders worden gedupeerd. Dat geldt volgens de Afdeling ook voor de aanvraagtermijn van artikel 15, eerste lid, van de Awir. Volgens de Afdeling kan die essentie de wetgever niet zijn ontgaan en dat dus moet worden aangenomen dat hij de gevolgen van de toepassing van een dergelijke termijnbepaling, ook voor Nederlanders in het buitenland, heeft bedoeld en voorzien. Dit wordt ook bevestigd door de wetsgeschiedenis, die duidt op een bewuste keuze van de wetgever voor een harde grens. Onbekendheid met de regels dient voor rekening en risico van eiser te blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een door de wetgever niet meegenomen bijzondere omstandigheid. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Awir in dit geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege zou moeten blijven. Van een fout van de overheid waarvoor burgers gecompenseerd moeten worden, is, in tegenstelling tot de door eiser aangehaalde Toeslagenaffaire, ten slotte geen sprake.
5.6
Op grond van het voorgaande kon eiser de aanvraag zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021 tot 1 september 2021 respectievelijk 1 september 2022 indienen en bestaat er geen ruimte om daarvan af te wijken. Omdat hij de aanvraag pas op 22 maart 2024 heeft ingediend, heeft Dienst Toeslagen de aanvraag op goede gronden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser voor zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021 terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, p. 18-19.
2.Gepubliceerd op www. rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RVS:2016:138.
3.Gepubliceerde op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RVS:2023:3125.