Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1445

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
AWB-24_7456
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2.8.2 TarieventabelArtikel 5 Verordening op de heffing en de invordering van leges 2022Artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wet ruimtelijke ordeningArtikel 1, eerste lid, onderdeel d, BesluitArtikel 2, eerste lid, onderdeel d, Besluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering legesbedrag voor wijziging bestemmingsplan wegens onvoldoende specificatie kosten

Belanghebbende diende in september 2021 een aanvraag in voor wijziging van het bestemmingsplan van agrarisch naar woonbestemming. De gemeente wijzigde de bestemming in september 2024 en legde leges op van oorspronkelijk €21.423, later verminderd naar €19.990. Belanghebbende maakte bezwaar tegen het legesbedrag, dat door de heffingsambtenaar werd gehandhaafd.

De rechtbank oordeelt dat de leges terecht zijn opgelegd, maar het bedrag te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft onvoldoende inzicht gegeven in de specificatie van €14.156 aan reeds gemaakte kosten en geboekte uren. De rechtbank stelt het aantal uren voor beoordeling van conceptbestemmingsplannen en overige werkzaamheden lager vast dan door de heffingsambtenaar opgegeven, waardoor het legesbedrag wordt verminderd tot €13.946.

De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, reiskosten en griffierecht aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar en onherroepelijk na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank vermindert het legesbedrag tot €13.946 en veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7456

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. T.G.A.A. van den Boomen)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Gilze en Rijen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 september 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij het verstrekken van de begroting aan belanghebbende leges opgelegd in verband met het in behandeling nemen van het wijzigen van het bestemmingsplan.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen mr. A.K. Bisoen en [gemachtigde] .
1.4.
De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Feiten

2. Belanghebbende heeft in september 2021 een aanvraag ingediend bij de gemeente Gilze en Rijen voor het wijzigen van het bestemmingsplan van haar perceel door de agrarische bestemming om te zetten naar woonbestemming. De gemeente heeft de bestemming in september 2024 gewijzigd.
2.1.
Voor het in behandeling nemen van de aanvraag heeft de heffingsambtenaar belanghebbende een bedrag van € 21.423 aan leges in rekening gebracht. Dit bedrag heeft de heffingsambtenaar vervolgens verminderd naar € 19.990, bestaande uit (onder meer) een bedrag van € 14.156 voor reeds gemaakte kosten/geboekte uren voor aanvang ontwikkeling.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de begroting van de leges tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Naar de rechtbank begrijpt heeft belanghebbende primair aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar vernietigd moet worden en dat het legesbedrag op nihil moet worden besteld. Subsidiair verzoekt belanghebbende vermindering van de leges tot een bedrag van € 5.834. [1] De heffingsambtenaar verdedigt de in de uitspraak op bezwaar gehandhaafde leges van € 19.990.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de leges terecht opgelegd, maar naar een te hoog bedrag. Het legesbedrag moet daarom worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank constateert dat de leges zijn opgelegd bij begroting zonder dagtekening. Partijen zijn het erover eens dat de eerste begroting in april 2023 is opgelegd. In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat de begroting op 1 november 2023 is vastgesteld. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar opgenomen dat de (definitieve) factuur leges gedagtekend is op 9 januari 2024. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar op 19 februari 2024 het bezwaar van belanghebbende ontvangen. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende ontvankelijk geacht en de rechtbank volgt de heffingsambtenaar hierin.
5. Op basis van de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2022 van de gemeente Gilze en Rijzen (hierna: de Verordening) en de daarbij behorende Tarieventabel is artikel 2.8.2 van de Tarieventabel van toepassing op bestemmingswijziging zonder activiteiten:
5.1.
Artikel 5, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
5.2.
Artikel 2.8.2 van de tarieventabel van de Verordening bepaalt: het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening het bedrag dat voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag tot het wijzigen van een bestemmingsplan aan de aanvrager is medegedeeld en blijkt uit een begroting die ter zake door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld.
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Verordening, zoals vastgesteld voor het jaar 2022, van toepassing is. De rechtbank gaat dan ook uit van de tarieven die voor dat jaar zijn vastgesteld.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar een begroting heeft opgesteld ten behoeve van de heffing van leges. Het totale bedrag van € 19.990 aan leges is opgebouwd uit een bedrag van € 14.156 aan reeds gemaakte kosten/geboekte uren voor aanvang ontwikkeling en een bedrag van in totaal € 5.834 aan kosten die volgens de begroting inzichtelijk zijn gemaakt. Tegen de totstandkoming van het bedrag van € 5.834 heeft belanghebbende geen grieven aangevoerd. Dit bedrag is niet in geschil.
Beoordeling
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar voldaan aan de vereisten van artikel 2.8.2 van de Tarieventabel door voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag de leges mede te delen aan belanghebbende door het verstrekken van de begroting.
6.1.
Met belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat de in de begroting genoemde bedragen wel moeten worden onderbouwd, door inzichtelijk te maken hoe de in de begroting genoemde bedragen zijn opgebouwd. Met betrekking tot het in geding zijnde bedrag van € 14.156 is die duidelijkheid niet gegeven. Dit bedrag staat voor reeds gemaakte kosten en geboekte uren voor aanvang ontwikkeling. Uit de begroting is op geen enkele wijze te achterhalen hoe dit bedrag tot stand is gekomen. Ook na bezwaar is nagelaten dit bedrag te specificeren in de uitspraak op bezwaar.
6.2.
In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat het bedrag van € 14.156 de kosten betreft die voor het project zijn gemaakt tot het moment van de berekeningsdatum van de begroting, namelijk 1 november 2023. Deze kosten zouden gebaseerd zijn op het aantal uren dat een medewerker heeft besteed aan het project tot en met 29 oktober 2023. In het verweerschrift is uiteengezet hoe het in geding zijnde bedrag is opgebouwd. Hierna zal deze berekening besproken worden.
6.3.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar de hoogte van het bedrag van € 14.156 niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het verweerschrift volgt namelijk dat de heffingsambtenaar heeft bepleit dat er 13 + 75 + 20 = 108 uren in totaal zijn besteed voor aanvang van de ontwikkeling. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift niet aangegeven van welke eenheidsprijs moet worden uitgegaan voor deze gemaakte uren. Uitgaande van een eenheidsprijs van € 104 volgt hieruit dat een bedrag van € 11.232 aannemelijk is gemaakt, en niet het berekende bedrag van € 14.156. Het beroep van belanghebbende is reeds hierom gegrond.
6.4.
In het verweerschrift is aangegeven dat er een aantal overleggen heeft plaatsgevonden over (de aanvaardbaarheid van) het concept-bestemmingsplan, dat moest worden opgesteld. Volgens de heffingsambtenaar zijn er in totaal 14 overleggen geweest, die in totaal 13 uur duurden. Ter zitting is komen vast te staan dat deze overleguren niet in geschil zijn. Tegen het door de heffingsambtenaar per eenheid gehanteerde bedrag van € 104 per uur zijn geen grieven aangevoerd. In totaal gaat het om een bedrag van € 1.352 (13 x € 104).
6.5.
In het verweerschrift is uiteengezet dat een onderdeel van de begrote kosten de beoordeling van diverse conceptversies van het bestemmingsplan betreft. De werkzaamheden bestaan uit de beoordeling van de toelichting inclusief de bijbehorende bijlagen, bestaande uit onderzoeken, de beoordeling van de verbeelding van de bestemming en de beoordeling van de planregels van het bestemmingsplan. Volgens de behandelend ambtenaar is de inschatting dat er 75 uur aan besteed is. Belanghebbende betwist het aantal uur dat besteed is aan deze beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar, tegenover de betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat er 75 uur aan genoemde beoordeling is besteed. Het precieze aantal uur is niet bijgehouden, er is slechts achteraf een inschatting gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is echter wel aannemelijk dat er uren zijn besteed aan de beoordeling van de conceptversies. De rechtbank zal schattenderwijs het aantal uren dat aan de beoordeling is besteed vast stellen. De rechtbank vindt het redelijk dat één derde van het aantal gehanteerde uren voor de beoordeling van de conceptversies in mindering wordt gebracht op het totaal aantal van 75 uur. De rechtbank stelt het aantal uren vast op 50. Dit brengt het bedrag dat voor deze activiteit aan kosten is gemaakt, in totaal op € 5.200.
6.6.
De heffingsambtenaar heeft tot slot bepleit dat er ook nog overige werkzaamheden zijn verricht aan het dossier voorafgaande aan de berekeningsdatum van 1 november 2023. Het gaat om uren besteed aan administratie, overige correspondentie, het voeren van wettelijk vooroverleg met een aantal partijen, het opstellen van een extra begroting en het verrichten van jurisprudentieonderzoek. De heffingsambtenaar stelt dat er naar schatting 15 tot 20 uur aan deze werkzaamheden zijn besteed. Belanghebbende betwist het aantal uren voor de overige werkzaamheden. Gezien de betwisting van belanghebbende gaat de rechtbank uit van de ondergrens van 15 uur.
6.7.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank het bedrag aan leges te hoog vastgesteld. De leges dient te worden vastgesteld op een bedrag van (€ 5.834 + (13 x € 104 = € 1.352) + (50 x € 104 = € 5.200) + (15 x € 104 = € 1.560) =) € 13.946.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
7.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De rechtbank ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De rechtbank merkt daarbij op dat alleen bij het verschijnen ter zitting door een derde beroepsmatig bijstand is verleend. Het beroepschrift is door belanghebbende zelf ingediend en de Algemene wet bestuursrecht kent het geven van advies niet.
7.2.
Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de reiskosten die belanghebbende heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting. Op basis van het Besluit wordt de vergoeding van de reiskosten voor het bijwonen van de zitting bepaald naar een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar vervoer, laagste klasse. [2] De rechtbank becijfert de reiskosten op basis van voornoemd uitgangspunt op een bedrag van € 34,22.
7.3.
Ook dient de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de begroting leges tot € 13.946;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 968,22;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.C. Oomen, griffier.
De griffier is niet in de gelegenheid
de uitspraak mede te ondertekenen.
Griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Het totaalbedrag van € 19.990 minus de reeds gemaakte kosten/ geboekte uren voor aanvang ontwikkeling van € 14.156.
2.Artikel 1, eerste lid, onderdeel d, in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.