ECLI:NL:RBZWB:2026:1450

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/02/431923 / HA ZA 25-101 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Römers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetalingsverplichting en afwijzing schadevergoeding in samenwerking energieleveringsovereenkomsten

Sepa Green Energy en [gedaagde] zijn een samenwerking aangegaan waarbij [gedaagde] klanten aan Sepa Green Energy aanmeldde voor energielevering. Door problemen bij veel klanten vordert Sepa Green Energy terugbetaling van vergoedingen en schadevergoeding van [gedaagde].

De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] op grond van claw-backbepalingen uit de raam- en deelovereenkomsten een bedrag van €32.328 moet terugbetalen, inclusief wettelijke rente vanaf 12 februari 2024. De betwisting van de hoogte van dit bedrag door [gedaagde] wordt onvoldoende gemotiveerd geacht. Een vermeende betalingsregeling die [gedaagde] aanvoert, wordt verworpen.

De vorderingen tot schadevergoeding en voorschot worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank stelt dat [gedaagde] niet verplicht was om juiste verbruiksinschattingen te maken en dat Sepa Green Energy onvoldoende heeft aangetoond dat [gedaagde] niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden deels toegewezen en verrekend met een door [gedaagde] te ontvangen provisie. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling van €32.328 en incassokosten, wijst schadevergoeding af en compenseert proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/431923 / HA ZA 25-101
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
INNOVA ENERGIE B.V., handelend onder de naam
SEPA GREEN ENERGY,
gevestigd te en (onder meer) kantoorhoudende te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: Sepa Green Energy,
advocaten: mr. E.A.H. ten Berge en mr. R.H.E. den Brabander,
tegen
[persoon], handelend onder de naam
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.J.W. Raas.

1.De zaak in het kort

Sepa Green Energy en [gedaagde] zijn een samenwerking aangegaan op basis waarvan [gedaagde] klanten heeft aangedragen bij Sepa Green Energy voor energieleveringsovereenkomsten. Bij de klanten die [gedaagde] heeft aangedragen spelen relatief veel problemen. Sepa Green Energy vordert daarom de vergoedingen terug die zij aan [gedaagde] heeft betaald. Daarnaast vordert zij een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt en een voorschot op die schade. [gedaagde] betwist dat hij vergoedingen moet terugbetalen en betwist dat hij aansprakelijk is voor de door Sepa Green Energy gestelde schade. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] de vergoedingen moet terugbetalen, maar wijst de gevorderde verklaring voor recht en het voorschot af. Hierna legt de rechtbank dit oordeel uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 september 2025;
- de mondelinge behandeling van 7 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van mr. R.H.E. den Brabander namens Sepa Green Energy;
- de spreekaantekeningen van mr. A.J.W. Raas namens [gedaagde] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Sepa Green Energy houdt zich als onderneming bezig met de handel in elektriciteit en gas en het leveren van energie aan eindgebruikers.
3.2.
[gedaagde] drijft een onderneming die zich bezighoudt met het verlenen van diensten aan energieleveranciers bij de verkoop van gas en elektriciteit en met het verstrekken van advies aan afnemers over energie- en duurzaamheidsoplossingen.
3.3.
In 2022 en 2023 zijn Sepa Green Energy en [gedaagde] een samenwerking aangegaan die is vastgelegd in raam- en deelovereenkomsten. De samenwerking hield in dat [gedaagde] via het verkoopportaal van Sepa Green Energy, Salesdock, offertes kon genereren en aan potentiële afnemers kon aanbieden. Als een klant akkoord ging met de offerte en de overeenkomst en benodigde documenten had ondertekend, droeg [gedaagde] deze over aan Sepa Green Energy. Onderdeel van de aanmelding is een opgave van het verwachte gebruik.
3.4.
In de samenwerking tussen Sepa Green Energy en [gedaagde] werd onderscheid gemaakt tussen klein- en grootverbruikers. Voor een aanmelding van een kleinverbruiker ontving [gedaagde] een standaardvergoeding. Voor de aanmelding van een grootverbruiker ontving [gedaagde] een maatwerkvergoeding die afhankelijk was van het opgegeven verbruik.
3.5.
In de raam- en deelovereenkomsten staan bepalingen waaruit volgt dat [gedaagde] in bepaalde situaties (‘claw-backsituaties’) geen recht meer heeft op een vergoeding of een al betaald voorschot moet terugbetalen. Dat is onder meer het geval bij:
  • voortijdige beëindiging van gesloten leveringsovereenkomsten met afnemers (artikel 3.12 Raamovereenkomst 2022 en 2023, artikel 4.4 Raamovereenkomst 2023 en artikel 8.3(b) Deelovereenkomst 2022 en 2023);
  • het daadwerkelijke energieverbruik van een afnemer (bij toepassing van de maatwerk vergoedingsregeling) valt lager uit dan het geschatte energieverbruik (artikel 3.8 en 3.16 Raamovereenkomst 2022 en 2023);
  • oneerlijke en/of misleidende handelspraktijken van [gedaagde] (artikel 4.1(a) Raamovereenkomst 2022 en 2023);
  • fraude van [gedaagde] (artikel 4.1(b) Raamovereenkomst 2022 en 2023);
  • frauduleus handelen waarvan [gedaagde] op de hoogte is geweest en/of redelijkerwijs op de hoogte heeft kunnen zijn en/of redelijkerwijs heeft kunnen vermoeden dat er sprake van is (artikel 4.1(c) Raamovereenkomst 2022 en 2023);
  • handelen van [gedaagde] in strijd met een wettelijk voorschrift en/of verplichting (artikel 4.1(d) Raamovereenkomst 2022 en 2023).
3.6.
Bij een aanzienlijk deel van de afnemers die door [gedaagde] bij Sepa Green Energy zijn aangemeld, is er sprake van problemen variërend van vroegtijdige beëindiging van leveringsovereenkomsten, betaalproblemen en (veel) hogere of juist (veel) lagere werkelijke verbruiken dan geschat.
3.7.
Sepa Green Energy heeft [gedaagde] verschillende keren gesommeerd tot terugbetaling van vergoedingen en aansprakelijk gesteld voor geleden schade, onder meer bestaande uit inkoopverlies en openstaande facturen, vermeerderd met rente en kosten. Sepa Green Energy heeft [gedaagde] onder meer gesommeerd tot betaling bij brieven van 2 februari 2024, 16 april 2024, 6 mei 2024 en 31 mei 2024.

4.Het geschil

4.1.
Sepa Green Energy vordert – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen aan Sepa Green Energy om € 32.328,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 12 februari 2024;
II. te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade die Sepa Green Energy lijdt als gevolg van tekortkomingen van [gedaagde] ;
III. [gedaagde] te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat;
IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 50.000,00 op de onder III. bedoelde schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
V. [gedaagde] te veroordelen om de buitengerechtelijke incassokosten te betalen van € 1.589,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Sepa Green Energy legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Op basis van de claw-backbepalingen uit de overeenkomst(en) moet [gedaagde] een bedrag van € 32.328,00 aan vergoedingen terugbetalen. [gedaagde] heeft daarnaast niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen dan wel onrechtmatig gehandeld. Uit de overeenkomst vloeit voort dat [gedaagde] gehouden is om solvabele afnemers aan te brengen, afnemers goed en juist voor te lichten (in overeenstemming met alle toepasselijke gedragscodes en wet- en regelgeving) en het energieverbruik van de afnemers bij aanbrengen op deugdelijke wijze in te schatten. [gedaagde] is daarin structureel tekort geschoten. Bij maar liefst 76 van de 133 door [gedaagde] aangeleverde afnemers doen zich een of meer problemen voor variërend van openstaande oninbare facturen, voortijdige beëindigingen van de leveringsovereenkomsten tot het opgeven van onjuiste inschattingen van het energieverbruik en oneerlijke en/of misleidende handelspraktijken door [gedaagde] . Sepa Green Energy lijdt hierdoor schade die bestaat uit onder meer inkoopverlies (begroot op € 414.583,87) en openstaande facturen (per 1 juni 2024 € 324.390,45).
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Sepa Green Energy, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Sepa Green Energy, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Sepa Green Energy in de kosten van deze procedure, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
4.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] betwist dat de door Sepa Green Energy gestelde verplichtingen uit de overeenkomst voortvloeien. Voor zover er sprake is van enige verplichting, is sprake van een inspanningsverplichting niet een resultaatsverplichting. Waar het gaat om kredietwaardigheid is in artikel 3.13 van de raamovereenkomst juist neergelegd dat Sepa Green Energy daarop controleert tijdens haar acceptatieproces. [gedaagde] heeft geen invloed op het betalingsgedrag van afnemers. Sepa Green Energy gaat bovendien voorbij aan de bijzondere omstandigheden van een sterk overspannen energiemarkt in deze periode. Uiteindelijk is de klant, en niet [gedaagde] , verantwoordelijk voor het opgegeven verbruik. [gedaagde] heeft zijn werkzaamheden uitgevoerd overeenkomstig de afspraken en verwachtingen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst mochten hebben. Dat [gedaagde] bewust onjuiste verbruikgegevens heeft doorgegeven, wordt uitdrukkelijk betwist. [gedaagde] betwist verder dat hij de verschuldigdheid van het bedrag van € 32.328,00 heeft erkend. Voor zover hij zich heeft verbonden tot enige betalingsverplichting, heeft hij een schikking getroffen op grond waarvan hij uitsluitend € 5.990,00 moet betalen. Voor zover aansprakelijkheid wordt aangenomen, moet de schadevergoeding worden gematigd.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De vordering op grond van de claw-backbepalingen
5.1.
Het gevorderde bedrag van € 32.328,00 valt uiteen in een bedrag van € 5.990,00 dat verband houdt met de klant Dutch Creations en een bedrag van € 26.338,00 aan restituties van vergoedingen voor andere klanten op grond van de claw-backbepalingen. [gedaagde] heeft het bedrag van € 5.990,00 onvoldoende betwist. Die vordering wordt toegewezen. Uit de correspondentie [1] volgt dat [gedaagde] heeft toegezegd dat hij dat bedrag zal betalen. Ter zitting heeft hij bovendien verklaard dat hij geen reden heeft om dit bedrag niet te betalen, anders dan dat hij in een discussie met Sepa Green Energy was beland.
5.2.
Ook het bedrag van € 26.338,00 zal de rechtbank toewijzen als onvoldoende gemotiveerd betwist. Niet ter discussie staat dat op grond van de overeenkomst [gedaagde] in zogenaamde ‘claw-backsituaties’ vergoedingen moet terugbetalen. Aanvankelijk betwiste [gedaagde] alleen dat hij de verschuldigdheid van dit bedrag heeft erkend. [2] Vervolgens heeft [gedaagde] op zitting ook de hoogte van dit bedrag betwist. [3] Volgens [gedaagde] heeft Sepa Green Energy dit bedrag niet onderbouwd. Zo volgt uit de door Sepa Green Energy overgelegde stukken volgens [gedaagde] niet dat de genoemde afnemers hun overeenkomst voortijdig hebben beëindigd dan wel dat dat aan de overige claw-backvoorwaarden is voldaan. De rechtbank vindt die betwisting van [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd. Ter zitting heeft Sepa Green Energy gewezen op bijlage II van productie 12 bij dagvaarding. Hierin staat om welke klanten het gaat en de hoogte van de daarbij behorende vergoedingen. Daarnaast heeft Sepa Green Energy gewezen op de e-mail van [gedaagde] van 27 juli 2023 waarin hij schrijft: “
Klanten die terecht weg zijn (om welke reden dan ook) en wij dus onterecht provisie over hebben ontvangen, betalen wij graag terug aan SEPA. In het bestand staat de teller op € 26.338,00. Dit willen we even op “On Hold” zetten totdat wij de lijst hebben gecontroleerd en hebben uitgefilterd.”Hieruit volgt dat [gedaagde] al op 27 juli 2023 bekend was met de lijst klanten waarop het bedrag van € 26.338,00 ziet. Deze lijst heeft [gedaagde] bovendien opnieuw ontvangen bij de brief van de advocaat van Sepa Green Energy van 2 februari 2024. [4] Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat van [gedaagde] meer had mogen verwacht van de motivering van zijn betwisting van de hoogte van het bedrag. [gedaagde] is niet ingegaan op de klanten en de vergoedingen die op deze lijst staan, terwijl dat wel had gekund. Naar eigen zeggen heeft hij ook onderzoek gedaan, onder meer door klanten te bellen. [gedaagde] heeft op zitting verklaard dat hij het niet terecht vindt als hij vergoedingen moet terugbetalen, omdat er uiteenlopende redenen zijn waarom klanten hun contract hebben beëindigd. Uit de overeenkomst en uit de hiervoor geciteerde e-mail van [gedaagde] volgt echter dat de redenen van vroegtijdige beëindiging niet ter zake doen.
5.3.
[gedaagde] heeft daarnaast gesteld dat hij met Sepa Green Energy een regeling heeft getroffen op grond waarvan hij alleen het bedrag van € 5.990,00 hoeft te betalen. Sepa Green Energy betwist die regeling en voert subsidiair het verweer dat een eventuele regeling is ontbonden, omdat [gedaagde] die niet is nagekomen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn verweer dat een regeling is getroffen, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de e-mailwisseling van 26 september 2023 en 11 oktober 2023 [5] volgt dat partijen hebben gesproken over een betalingsregeling, waarbij het bedrag van € 5.990,00 genoemd is als ‘
eerste betaling’ en ‘
stap 1’. Uit die bewoordingen volgt al dat geen sprake kan zijn van een regeling waarbij [gedaagde] alleen dit bedrag moet betalen.
5.4.
Uit wat hiervoor staat volgt dat de vordering onder I tot betaling van het bedrag van € 32.328,00 wordt toegewezen. Over dit bedrag zal de rechtbank de wettelijke rente van artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) toewijzen vanaf 12 februari 2024. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij vanaf die datum in verzuim verkeert. De primair gevorderde wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW wordt afgewezen. Art. 6:119a BW ziet alleen op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Het gaat daarbij om de primaire betalingsverplichting. De wettelijke handelsrente ziet niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven. [6] De vordering op basis van de claw-backbepalingen heeft het karakter van een contractuele ongedaanmakingsverplichting. Het gaat dus niet om de primaire betalingsverplichting.
De schadevergoedingsvordering
5.5.
De rechtbank zal de overige vorderingen van Sepa Green Energy afwijzen. Sepa Green Energy heeft hiervoor onvoldoende gesteld. Hierna wordt dit oordeel toegelicht.
5.6.
Sepa Green Energy maakt [gedaagde] verschillende verwijten en stelt dat [gedaagde] is tekortgeschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld waardoor Sepa Green Energy schade lijdt. Sepa Green Energy verwijt [gedaagde] onder meer dat hij stelselmatig onjuiste verbruiksinschattingen heeft gemaakt. Waarbij opvallend is dat in nagenoeg alle gevallen waarin [gedaagde] een te lage inschatting heeft gemaakt, het een afnemer betreft waarop de standaard vergoedingsregeling van toepassing is. Voor zover de maatwerk vergoedingsregeling van toepassing is, heeft [gedaagde] juist te hoge inschattingen gemaakt. Volgens Sepa Green Energy handelt [gedaagde] hiermee in strijd met zijn verplichting op grond van de overeenkomst om het energieverbruik op deugdelijke wijze in te schatten, dan wel heeft hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden niet de zorg van een goed opdrachtnemer betracht en in bredere zin heeft hij onrechtmatig gehandeld.
5.7.
De rechtbank stelt voorop dat in de overeenkomsten geen verplichting staat voor [gedaagde] om juiste verbruiksinschattingen te maken. Dat dit uit de overeenkomst volgt, wordt door [gedaagde] betwist en heeft Sepa Green Energy onvoldoende onderbouwd. Nergens staat ook beschreven hoe [gedaagde] de inschatting van het energieverbruik moest maken. Wel dient [gedaagde] bij de uitvoering van de overeenkomst te handelen als een goed opdrachtnemer. Van hem mag dus worden verwacht dat hij heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan.
5.8.
[gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat hij bij inhuizingen een inschatting maakt op basis van de grootte van het pand en de activiteiten van de afnemer. Ook vraagt hij naar historische verbruiken, maar hij is daarbij afhankelijk van de informatie die hij van de klant ontvangt. [gedaagde] heeft geen toegang tot het Centraal Aansluitingen Register (CAR) waarin het gemiddelde verbruik van een adres over de afgelopen twee jaar kan worden geraadpleegd. Sepa Green Energy heeft die toegang tot het CAR wel, maar pas nadat een energieovereenkomst is getekend. Sepa Green Energy betwist dat [gedaagde] deze werkwijze heeft gehanteerd. Dit volgt volgens haar uit het feit dat bij bijna 60% van de door [gedaagde] aangebrachte afnemers problemen voordoen, waarbij zij wijst op het door haar overgelegde overzicht. [7] Verder verwijst zij naar correspondentie van enkele individuele gevallen. [8]
5.9.
De rechtbank vindt deze onderbouwing van Sepa Green Energy onvoldoende om de stelling te kunnen dragen dat [gedaagde] niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld. Sepa Green Energy heeft allereerst nagelaten om haar stellingen per afnemer te onderbouwen en te stellen waarom [gedaagde] in die gevallen niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld. Zij verwijst slechts naar een overzicht van klanten waar ‘problemen’ spelen. Uit dit overzicht volgt allereerst dat de ‘bijna 60%’ ziet op meer dan alleen onjuiste inschattingen, maar voor een groot deel op klanten die vroegtijdig hun energieovereenkomst hebben beëindigd. [gedaagde] heeft toegelicht dat in deze periode sprake was van een overspannen energiemarkt, waarbij de energieprijzen in deze periode extreem hoog waren en daarna ook weer fors zijn gedaald en dat ook deze omstandigheden tot veel vroegtijdige beëindigingen hebben geleid. Sepa Green Energy heeft dat niet betwist. Het feit dat er problemen zijn bij een groot aantal gevallen, betekent bovendien niet dat [gedaagde] opzettelijk te lage of juist te hoge inschattingen heeft doorgegeven. Sepa Green Energy heeft daarnaast niet onderbouwd om welke afwijkingen het gaat. Ter zitting heeft zij voor het eerst een aantal klanten en procentuele afwijkingen genoemd. Los dat deze onderbouwing pas laat in de procedure is gegeven, blijkt uit deze enkele voorbeelden nog niet dat [gedaagde] in die gevallen niet heeft gehandeld als een goed opdrachtnemer. Een nadere feitelijke onderbouwing ontbreekt.
5.10.
Sepa Green Energy heeft verder nog gesteld dat er sprake zou zijn misleidende handelspraktijken door [gedaagde] , maar heeft ook dit onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] betwist dit. Ook de stelling van Sepa Green Energy dat [gedaagde] klanten zou hebben verzocht betalingen aan hem te doen in plaats van aan Sepa Green Energy, is onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft dit uitdrukkelijk betwist. Sepa Green Energy heeft vervolgens geen nadere onderbouwing gegeven voor haar stellingen. Sepa Green Energy wijst verder op klanten die een nog lopend contract bij een andere energieleverancier hadden en desondanks door [gedaagde] zijn aangemeld bij Sepa Green Energy. Volgens [gedaagde] hebben deze klanten echter onjuiste of onvolledige informatie aangeleverd en kan hij niet controleren of een klant nog een lopend contract heeft. Sepa Green Energy heeft daar niet meer op gereageerd.
5.11.
Sepa Green Energy stelt ten slotte dat uit de overeenkomst volgt dat [gedaagde] solvabele afnemers moet aanbrengen. Sepa Green Energy heeft veel openstaande en oninbare facturen onder afnemers die [gedaagde] heeft aangemeld. Die door Sepa Green Energy gestelde verplichting is door [gedaagde] betwist en volgt niet uit de overeenkomst. [gedaagde] heeft er op gewezen dat in artikel 3.14 van de raamovereenkomst juist staat dat Sepa Green Energy bij aanmeldingen haar gangbare acceptatieproces toepast, waaronder een controle op de kredietwaardigheid. Sepa Green Energy heeft dat vervolgens niet weersproken.
(Proces)kosten
5.12.
Sepa Green Energy vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Sepa Green Energy heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Sepa Green Energy heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. Een bedrag van € 1.098,28 is toewijsbaar.
5.13.
Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat een eventueel toe te wijzen bedrag dient te worden verrekend met een nog door [gedaagde] te ontvangen vastgoedprovisie van € 468,60. Sepa Green Energy heeft dat niet betwist. Het verrekeningsverweer slaagt daarom. Verrekening is een vorm van betaling. Uit artikel 6:44 BW Pro volgt dat betaling op een geldsom eerst in mindering strekt op de kosten, vervolgens op de verschenen rente en slotte op de hoofdsom en lopende rente. De rechtbank zal het genoemde bedrag daarom verrekenen met de buitengerechtelijke incassokosten en het restant van € 629,68 toewijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
5.14.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Sepa Green Energy te betalen een bedrag van € 32.328,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Sepa Green Energy te betalen een bedrag van € 629,68 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 en 6.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Onder meer de e-mail van 26 september 2023 van [gedaagde] , productie 9 bij dagvaarding.
2.Randnummer 27 van de conclusie van antwoord.
3.Randnummer 7 van de spreekaantekeningen van mr. Raas.
4.Productie 12 bij dagvaarding.
5.Productie 9 bij dagvaarding.
6.HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:596, r.o. 3.2 en HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1710, r.o. 3.1.2.
7.Productie 8 bij dagvaarding.
8.Productie 7 bij dagvaarding.