ECLI:NL:RBZWB:2026:1560

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
BRE 24/7961
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroepen tegen navorderingsaanslagen wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar van de inspecteur inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2016 tot en met 2019. De rechtbank beoordeelt dat de beroepen te laat zijn ingediend, aangezien de beroepschriften pas na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken zijn ontvangen.

De rechtbank onderzoekt of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, maar concludeert dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden zoals taalbarrière, afhankelijkheid van juridische hulp, het ontbreken van een printer en twijfels over het indienen van beroep onvoldoende zijn om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. De rechtbank wijst erop dat de beroepstermijn duidelijk in de uitspraken op bezwaar is vermeld en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet tijdig hulp kon zoeken.

Daarnaast verklaart de rechtbank zich onbevoegd om te oordelen over het beroep voor zover dit ziet op het hervatten van invorderingsmaatregelen. Ook de verzoeken om ambtshalve vermindering zijn niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. De rechtbank wijst een proceskostenveroordeling af en bevestigt dat de bestreden besluiten in stand blijven.

Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en de rechtbank is onbevoegd over het hervatten van invorderingsmaatregelen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7961 tot en met 24/7964

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Duitsland), belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 oktober 2024. De beroepen zien op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2016 tot en met 2019 met aanslagnummers [aanslagnummer] H.67.01, [aanslagnummer] H.77.01, [aanslagnummer] H.87.01 en [aanslagnummer] H.97.01.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat deze te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [4] Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [5]
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraken op bezwaar 8 oktober 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 19 november 2024.
4.1.
Belanghebbende heeft het beroepschrift per post verzonden. Gelet op het poststempel gaat de rechtbank ervan uit dat het beroepschrift op 22 november 2024 op de post is gedaan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder op de post is gedaan. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende redenen gegeven. Belanghebbende geeft aan dat hij afhankelijk is van juridische hulp, er sprake is van een taalbarrière, hij niet in bezit was van een printer en hij twijfelde over het indienen van een beroepschrift in verband met zijn financiële situatie.
5.1.
Om als verschoonbaar te worden aangemerkt moet het gaan om specifieke omstandigheden die maakten dat belanghebbende niet in staat was om tijdig een beroepschrift in te dienen. Het moet gaan om een geringe verwijtbaarheid of een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. De stelling dat belanghebbende de taal en de juridische kennis niet voldoende beheerst, is in dit geval onvoldoende om te kunnen spreken van een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft met deze stellingen niet aannemelijk gemaakt dat de beroepstermijn van zes weken onvoldoende waren om in beroep te gaan of hulp te zoeken. Voor zover belanghebbende in zijn schrijven heeft bedoeld dat de verloren tijd in verband met het vertalen van de brieven de voornaamste reden is, doet dit niet af aan het feit dat het op de weg gelegen heeft dat belanghebbende tijdig hulp zocht voor het vertalen van de (Nederlandse en juridische) teksten. Bovendien staat in de uitspraken op bezwaar duidelijk dat binnen zes weken beroep moet worden ingesteld en uit de reactie van belanghebbende blijkt ook niet dat daar onduidelijkheid over bestond.
5.2.
De stellingen dat belanghebbende getwijfeld heeft om beroep in te stellen en het niet hebben van een printer voor het printen van belangrijke documenten maken beide de termijnoverschrijding ook niet verschoonbaar. Als iemand wel in staat is om op tijd een beroepschrift in te dienen, maar dat niet tijdig doet omdat hij daarover twijfelt, komt dat voor zijn risico. Een later genomen beslissing om een beroepschrift in te dienen geeft geen blijk van een situatie dat belanghebbende niet in staat was om in beroep te gaan.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de geschetste omstandigheden niet ertoe hebben geleid dat de beroepen na het verstrijken van de termijn zijn ingediend als gevolg van een geringe verwijtbaarheid of een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid.
De rechtbank is onbevoegd te oordelen over de invorderingsmaatregelen
6. Belanghebbende heeft als bijlage van zijn beroepschrift een schriftelijke aankondiging inzake het hervatten van invorderingsmaatregelen overgelegd. Voor zover het beroep ziet op het hervatten van invorderingsmaatregelen verklaart de rechtbank zich in zoverre kennelijk onbevoegd.
Verzoeken om ambtshalve vermindering
7. Belanghebbende is in beroep gegaan tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur inzake de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2016 tot en met 2019. In de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaarschrift eveneens in behandeling genomen als verzoeken om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen.
7.1.
Tegen de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering moet als uitgangspunt eerst bezwaar worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld. Net als voor beroep geldt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank acht het in dit geval niet aangewezen om de inspecteur op te dragen om de beroepschriften als bezwaarschriften tegen de beslissing in behandeling te nemen. Gelet op de reactie van de inspecteur van 11 december 2024 zou hij na een verwijzing het standpunt innemen dat de bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk zijn en de bezwaren niet inhoudelijk beoordelen. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding voor het te laat indienen van de beroepen. Dit oordeel van de rechtbank is van overeenkomstige toepassing op de bezwaren tegen de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering. De rechtbank volstaat daarom met het niet-ontvankelijk verklaren van de beroepen.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. De rechtbank is onbevoegd om te oordelen over het hervatten van de invorderingsmaatregelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen niet-ontvankelijk die zien op de uitspraken op bezwaar van 8 oktober 2024, alsmede de daarbij genomen beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering;
  • verklaart zich onbevoegd voor zover de beroepen zich richten tegen het hervatten van de invorderingsmaatregelen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 9 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.