ECLI:NL:RBZWB:2026:1587

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
25/493
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WjsgArt. 8 EVRMWet justitiële en strafvorderlijke gegevensBeleidsregels VOG-NP-RP 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering verklaring omtrent gedrag wegens risico voor samenleving bevestigd

Eiser heeft een verklaring omtrent gedrag (VOG) aangevraagd voor zijn functie als begeleider, maar de staatssecretaris heeft deze geweigerd op grond van eerdere veroordelingen, waaronder een onherroepelijke geldboete en een nog niet onherroepelijke taakstraf wegens valsheid in geschrifte, alsmede strafbare feiten uit 2013 en 2014 buiten de terugkijktermijn.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat het risico voor de samenleving te groot is, mede omdat eiser verantwoordelijk is voor de veiligheid van kwetsbare personen en het risico bestaat dat hij zijn functie misbruikt. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris het objectieve en subjectieve criterium uit de beleidsregels VOG correct heeft toegepast en voldoende heeft gemotiveerd.

Eiser voerde aan dat de veroordelingen niet relevant zijn voor zijn functie en dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom strafbare feiten buiten de terugkijktermijn relevant zijn. Deze bezwaren worden verworpen. Ook is geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat de maatregel proportioneel is en het maatschappelijk belang zwaarder weegt.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de weigering van de VOG blijft staan en eiser geen recht heeft op teruggave van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de VOG.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/493

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser heeft een verklaring omtrent gedrag (VOG) aangevraagd voor zijn werk. Deze VOG is door de staatssecretaris geweigerd. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de geweigerde VOG.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de VOG op goede gronden heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 mei 2024 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een VOG. De staatssecretaris heeft deze aanvraag op 17 juli 2024 afgewezen (primaire besluit). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 24 december 2024 is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Eiser heeft ook een voorlopige voorziening gevraagd tegen het bestreden besluit. Bij uitspraak van 9 april 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. [1]
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.
2.4
Tijdens de zitting is afgesproken dat eiser twee weken de tijd krijgt om een nadere toelichting op de beroepsgronden aan de staatssecretaris toe te sturen. Eiser heeft op 25 juli 2025 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de staatssecretaris zes weken de tijd gekregen om hierop te reageren. Deze reactie heeft de staatssecretaris op 1 september 2025 gegeven. Vervolgens hebben partijen op 17 december 2025 de gelegenheid gekregen om binnen vier weken te laten weten of zij op een zitting wilden worden gehoord. De rechtbank heeft op 4 februari 2026 het onderzoek gesloten, omdat partijen niet hebben aangegeven dat zij op een nadere zitting gehoord willen worden.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3.1.
Eiser heeft een VOG-aanvraag ingediend voor zijn functie als begeleider [vof] in [plaats 2] . De staatssecretaris heeft de VOG-aanvraag van eiser geweigerd. De staatssecretaris is namelijk van mening dat er een te groot risico is voor de samenleving.
De staatssecretaris heeft dit enerzijds gebaseerd op een onherroepelijke veroordeling tot een geldboete van € 700,- wegens overschrijding van de maximumsnelheid. Anderzijds heeft hij dit gebaseerd op een nog niet onherroepelijke veroordeling tot een taakstraf van 120 uur wegens valsheid in geschrifte. Daarnaast vond hij buiten de terugkijktermijn strafbare feiten van 2013 en 2014 voor vermogensdelicten.
3.2.
De staatssecretaris stelt dat eiser verantwoordelijk is voor de gezondheid en veiligheid van personen. Eiser moet misschien soms administratief werk doen, dat te maken heeft met de zorgverlening. Ook vervoert eiser kwetsbare personen en mag hij andere personen in het verkeer niet in gevaar brengen. Daarnaast bestaat het risico dat eiser zijn werk op een verkeerde manier gebruikt om zichzelf financieel beter te maken. Ook bestaat het risico dat eiser ongecertificeerd zijn werkzaamheden zal verrichten wat een risico vormt voor de personen aan wie hij zorg verleent. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018 [2] .
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) wordt een VOG geweigerd als in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.
4.1.
In hoofdstuk drie van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (hierna: de beleidsregels) is de wijze van beoordeling van de aanvraag verder uitgewerkt. Wanneer op naam van de aanvrager justitiële gegevens staan, wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.
4.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is voldaan aan het objectieve criterium?
5.1.
Eiser voert aan dat de veroordelingen voor een snelheidsovertreding en voor valsheid in geschrifte niet relevant zijn voor de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. Eiser hoeft namelijk geen administratief werk te doen dan wel personen te vervoeren voor begeleiding. Het algemeen gevaar ten aanzien van het risico op de weg doet zich dus evenmin voor. Eiser beschikt over de vereiste beroepskwalificaties en certificaten en er is geen sprake van een verdenking of veroordeling voor oplichting. Daarom gaat de vergelijking met de door de staatssecretaris genoemde uitspraak in dit geval niet op. Ook werkt hij met vaste tarieven en vergoedingen, zodat het risico om zichzelf of een ander financieel beter te maken niet bestaat. Niet alle door eiser aangekruiste taken, zoals vervoer en omgang met geld, worden in de praktijk door hem uitgevoerd.
5.2.
Volgens paragraaf 3.1.3 van de beleidsregels wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Dit betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zijn besluit terecht heeft gebaseerd op de aanvraag die eiser bij hem heeft ingediend. Daarin staat onder meer vermeld dat de aanvraag ziet op het omgaan met contante en/of girale gelden en/of (digitale) waardepapieren en (rijdend) vervoer waarbij personen worden vervoerd. De enkele stellingen van eiser dat hij met vaste tarieven werkt en deze taken in de praktijk niet uitvoert, maken dat niet anders. Deze twee taken maken namelijk onderdeel uit van de aanvraag en de staatssecretaris heeft deze dan ook in zijn beoordeling moeten betrekken.
De aanvrager dient ervoor te zorgen dat de aanvraag overeenkomt met de daadwerkelijke werkzaamheden. De staatssecretaris heeft in dit kader terecht opgemerkt dat eiser de mogelijkheid heeft gehad om de ingediende aanvraag te wijzigen, maar dat hij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.
5.4.
Volgens paragraaf 3.1.3.2 van de beleidsregels ziet de toepassing van het objectieve criterium slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is het niet relevant of er sprake is van een reëel recidivegevaar. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris in de door eiser gepleegde valsheid in geschrifte risico’s mogen zien op het gebied van integriteit. Hij heeft daarbij ook de in de door hem genoemde uitspraak vermelde afhankelijkheidsrelatie met de personen aan wie hij zorgt verleent en het risico dat de functie wordt misbruikt om zichzelf of anderen financieel te bevoordelen, mogen betrekken. De omstandigheden waaronder eiser de valsheid in geschrifte heeft begaan, spelen bij dit criterium (nog) geen rol. Het enkele feit dat eiser inmiddels wel over de vereiste certificaten beschikt, kan daarom ook niet tot een ander oordeel leiden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is voldaan aan het subjectieve criterium?
5.1.
Eiser betoogt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd welke strafbare feiten buiten de terugkijktermijn zijn aangetroffen en waarom deze relevant zijn voor de overtuiging van de staatssecretaris dat het risico op herhaling groter is.
5.2.
Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt de staatssecretaris volgens paragraaf 3.1.1 van de beleidsregels bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris ten aanzien hiervan heeft overwogen dat hij buiten de terugkijktermijn strafbare feiten van 2013 en 2014 voor vermogensdelicten heeft gevonden. Hij heeft toegelicht dat hij deze heeft betrokken in zijn overweging dat er meer risico is dat eiser opnieuw met justitie te maken krijgt. Eiser heeft zowel in 2013 als in 2014 een taakstraf opgelegd gekregen van de kinderrechter voor, onder meer, diefstal en opzetheling. Dit heeft eiser er niet van weerhouden om tijdens zijn meerderjarigheid opnieuw strafbare feiten te plegen, aldus de staatssecretaris. Hij weegt deze veroordelingen mee, omdat hij meer risico ziet dat eiser opnieuw strafbare feiten begaat, omdat hij in het verleden meermalen dat gedrag heeft laten zien. De staatssecretaris wijst erop dat de periode die is verstreken sinds het laatste justitiële contact, mede gelet op de terugkijktermijn van vier jaar, te kort is om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen. Daarbij geldt dat hoe recenter het justitiecontact, des te zwaarder dit wordt meegewogen in de beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris hiermee de relevante feiten voldoende zorgvuldig heeft meegewogen en gemotiveerd. De door eiser in zijn brief van 25 juli 2025 genoemde uitspraak [3] over het betrekken van de omstandigheden, waaronder een strafbaar feit heeft plaatsgevonden, gaat over de beoordeling van de evenredigheid van de weigering van een VOG. Eiser heeft echter geen beroep gedaan op strijd met het evenredigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Is er strijd met artikel 8 EVRM Pro?
5. Eiser stelt dat de weigering van de VOG een disproportionele inbreuk vormt op zijn recht op respect voor zijn privéleven, zoals beschermd in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens eiser heeft de afwijzing ingrijpende gevolgen voor zijn mogelijkheid om te werken en in zijn levensonderhoud te voorzien. Eiser vindt dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke situatie.
5.1.
De staatssecretaris heeft toegelicht dat de weigering van de VOG een gerechtvaardigde maatregel is. Volgens de staatssecretaris is de maatregel noodzakelijk ter bescherming van het maatschappelijk belang, in het bijzonder de veiligheid en integriteit binnen de samenleving. De staatssecretaris stelt dat de maatregel proportioneel is, omdat de risico’s die voortvloeien uit de strafbare feiten van eiser zwaarder wegen dan het individuele belang van eiser bij het verkrijgen van een VOG. De staatssecretaris heeft daarbij gewezen op de ernst van de feiten en het risico op herhaling.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [4] is er geen grond voor het oordeel dat het recht op privéleven, bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, wordt geschonden door de van toepassing zijnde regelgeving over de afgifte van een VOG. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat dit recht ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM zijn begrenzing vindt in de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het doel van artikel 35 van Pro de Wjsg, te weten de beperking van de risico’s voor de samenleving, is hiermee in overeenstemming. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de staatssecretaris de VOG op goede gronden heeft geweigerd. Dat houdt ook in dat eiser niet in aanmerking komt voor teruggave van het griffierecht of vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier op 10 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg)
Artikel 1
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. justitiële gegevens: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering, die in een gegevensbestand zijn of worden verwerkt;
[…]
gerechtelijke strafgegevens: persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van het behandelen en beslissen van zaken waarop het Nederlandse strafrecht van toepassing is en die in een gegevensbestand zijn of worden verwerkt.
Artikel 2
1. Onze Minister verwerkt in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens aangewezen die als justitiële gegevens worden aangemerkt.
Artikel 28
Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 35
1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
[…]
2. Onze Minister betrekt niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak.
Artikel 36
1. Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel e, geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18.
Beleidsregels VOG-NP-RP 2024
Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium
De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:
justitiële gegevens (strafbaar feit);
indien herhaald;
risico voor de samenleving en
een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.
Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium
Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.
Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.1.4.1.) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpt toetsingskader van paragraaf 3.1.4.2. of paragraaf 3.1.4.3. van toepassing is (zie paragrafen 3.1.4.2 en 3.1.4.3).
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Voetnoten

1.Voorzieningenrechter Zeeland-West-Brabant, 9 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2013.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1249.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1631.