ECLI:NL:RBZWB:2026:1597

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
23/9818
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid, AWRArt. 28, zevende lid, AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM na geschil over waardering Audi RS6 Avant

Belanghebbende deed op 26 juni 2022 aangifte BPM voor een Audi RS6 Avant en betaalde €20.195. De inspecteur legde een naheffingsaanslag van €30.446 op na een hertaxatie door DRZ. Belanghebbende betwistte de aanslag en voerde onder meer aan dat de koerslijst Eurotax gebruikt moet worden en dat waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur voldoende heeft gemotiveerd in zijn uitspraak op bezwaar, maar dat de herleidingsmethode niet kan worden gevolgd conform het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. De rechtbank acht de koerslijst Eurotax wel toepasbaar en stelt vast dat het Sound System een optie is, wat belanghebbende correct heeft vermeld.

De rechtbank vindt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade, mede gezien de leeftijd en kilometerstand van de auto. De naheffingsaanslag wordt daarom verminderd tot €8.769. Daarnaast kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €500 voor rekening van de inspecteur en €1.000 voor rekening van de Staat. Ook worden griffierecht en proceskosten aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €8.769 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9818

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 september 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 10.251 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht, maar naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 26 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi RS6 Avant met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 20.195.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 30.446 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de uitspraak op bezwaar in strijd is met het motiveringsbeginsel. Verder is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast, of de koerslijst Eurotax kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
Motiveringsgebrek uitspraak op bezwaar
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar de stellingen van belanghebbende heeft weergegeven, evenals hetgeen door de gemachtigde in het hoorgesprek is aangegeven, en specifiek voor deze auto heeft onderbouwd waarom de verschuldigde bpm naar zijn mening niet te hoog is vastgesteld. Daarmee heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank voldoende invulling gegeven aan de op hem rustende motiveringsverplichting. Het gaat er immers om dat uit de uitspraak op bezwaar duidelijk volgt op welke motivering deze is gestoeld en dat deze motivering de beslissing kan dragen, en aan die maatstaf voldoet deze uitspraak op bezwaar. De inspecteur hoeft niet expliciet op alle stellingen van belanghebbende in te gaan.
Herleidingsmethode
4.2.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet. De door belanghebbende toegepaste waardevermindering wegens schade in het taxatierapport volgt de rechtbank daarom ook niet voor zover deze is gebaseerd op de herleidingsmethode.
Kan de koerslijst van Eurotax worden gebruikt?
4.3.
Belanghebbende heeft gesteld dat de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst van Eurotax als uitgangspunt moet worden gehanteerd. Uit deze koerslijst volgt een handelsinkoopwaarde van € 114.373. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het Sound System Bang & Olufsen met code 9VS ter waarde van € 7.995 een optie is en niet behoort tot de standaarduitrusting. Belanghebbende heeft opties ter waarde van € 50.140 meegenomen.
4.4.
De inspecteur heeft betwist dat de koerslijst van Eurotax kan worden gevolgd omdat belanghebbende de opties niet goed heeft vermeld. DRZ heeft de koerslijst van XRay gehanteerd en opties ter waarde van € 44.145 berekend. Het Sound System is geen optie maar behoort tot de standaarduitrusting van de auto, aldus de inspecteur.
4.5.
De rechtbank acht belanghebbende geslaagd in het bewijs dat de koerslijst van Eurotax in dit geval kan worden gebruikt. De inspecteur heeft niet betwist dat de auto op deze koerslijst voorkomt. Uit het SilverDat VIN-informatie Rapport van de auto blijkt dat het Sound System is vermeld onder de categorie “Uitrusting optioneel” en dus door belanghebbende goed in de koerslijst is vermeld. Dat verklaart ook het verschil in de opties tussen Eurotax en XRay. Verder heeft de inspecteur niet aangegeven waarom de koerslijst Eurotax niet gebruikt zou kunnen worden en de rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe.
4.6.
Het verschil in CO2-uitstoot tussen de auto en de referentieauto leidt daar ook niet toe. De rechtbank overweegt in dat kader dat belanghebbende een beroep heeft gedaan op de (interne) correspondentie van de Belastingdienst waaruit volgt dat de koerslijst kan worden toegepast bij in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot. De rechtbank ziet gelet op het verschil in CO2-uitstoot van 14 gr/km dan ook geen reden om de koerslijst Eurotax buiten beschouwing te laten. Uit deze koerslijst volgt een handelsinkoopwaarde van € 114.373. Belanghebbende heeft gesteld dat in aanvulling daarop rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens schade.
Waardevermindering wegens schade
4.7.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 2.881 en deze voor 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en foto’s van de velgen niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds anderhalf jaar oud was en 26.486 kilometer had gereden. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Aangezien de auto voorkomt op de koerslijst, kan de taxatiemethode bij het ontbreken van schade niet worden toegepast. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. Ook komt de rechtbank niet toe aan het standpunt van de inspecteur dat de individuele waardebepaling leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde.
Koerslijstmethode
4.9.
Belanghebbende heeft subsidiair een beroep gedaan op de koerslijstmethode. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.5 en 4.6. kan naar het oordeel van de rechtbank de koerslijst van Eurotax in dat geval worden gevolgd.
Hoogte naheffingsaanslag
4.10.
Uitgaande van de koerslijst Eurotax met een historische nieuwprijs van € 231.560 en een handelsinkoopwaarde van € 114.373 en een bruto Bpm van € 58.642, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 28.964. Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 20.195 zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 8.769.
Immateriële schadevergoeding
4.11.
Belanghebbende heeft op 28 september 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 4 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.13.
Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt € 500 (6/18e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.000) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 8.769. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 8.769;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [2]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.