ECLI:NL:RBZWB:2026:160

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/3051
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering van bedrijfskapitaal op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO)

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser, een zelfstandige ondernemer, en het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers. De zaak betreft de terugvordering van een lening voor bedrijfskapitaal die aan eiser was verstrekt op basis van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO). Eiser was het niet eens met het besluit van Baanbrekers om een bedrag van € 10.178,67 terug te vorderen, omdat hij zich niet had gehouden aan de aflosverplichting van de lening. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser beoordeeld en geconcludeerd dat Baanbrekers terecht de lening heeft teruggevorderd. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging die Baanbrekers had gemaakt voldoende was en dat de financiële situatie van eiser niet voldoende aanleiding gaf om van terugvordering af te zien. Eiser had eerder al een beroep ingesteld tegen een vergelijkbaar besluit, dat door de rechtbank gegrond was verklaard, maar in deze nieuwe beslissing had Baanbrekers alsnog een belangenafweging gemaakt. De rechtbank heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard, wat betekent dat de terugvordering van de lening standhoudt. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3051 TOZO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (Baanbrekers), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit aangaande de terugvordering van het verstrekte bedrijfskapitaal op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het terugvorderingsbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Baanbrekers terecht de lening bedrijfskapitaal van eiser heeft teruggevorderd
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het besluit van 1 februari 2024 (primair besluit) heeft Baanbrekers aan eiser meegedeeld dat een bedrag van € 10.178,67 van hem wordt teruggevorderd.
Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 is Baanbrekers, met een aanvullende motivering, bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Baanbrekers heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens Baanbrekers mr. J.P. van Roestel .

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Baanbrekers heeft aan eiser met het besluit van 8 maart 2021 een lening voor bedrijfskapitaal voor zelfstandigen toegekend tot een bedrag van € 10.157,- met een rente van 2% over deze lening en een looptijd van maximaal 3,5 jaar. Aan eiser is meegedeeld dat hij de lening vanaf 1 juli 2021 moet aflossen in 36 maanden met € 282,14 per maand.
4. Baanbrekers heeft met het primaire besluit de lening en verschuldigde rente teruggevorderd, omdat eiser zich niet heeft gehouden aan de aflosverplichting.
5. Met het besluit van 9 augustus 2024 heeft Baanbrekers het bezwaar van eiser tegen de terugvordering ongegrond verklaard. Naar aanleiding hiervan heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank heeft op 13 mei 2025 uitspraak [1] gedaan en het beroep gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het volledige bedrag bij eiser kan worden teruggevorderd, omdat hij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk is. Baanbrekers heeft echter bij de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering geen belangenafweging gemaakt, ondanks dat eiser diverse malen aandacht heeft gevraagd voor zijn slechte financiële situatie. Het besluit is daarom in zoverre niet gebaseerd op een deugdelijk onderzoek naar de bij het besluit betrokken belangen en een draagkrachtige motivering. De rechtbank draagt Baanbrekers op om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
6. Met het bestreden besluit heeft Baanbrekers een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en alsnog een belangafweging gemaakt. Dit heeft niet geleid tot een wijziging van het primaire besluit.
Het standpunt van eiser
7. Eiser stelt dat het nieuwe besluit inhoudelijk dezelfde belangenafweging bevat als het eerdere vernietigde besluit. Om die reden is het besluit in strijd met de uitspraak van de rechtbank, waarin Baanbrekers is opgedragen een zorgvuldige en dragende belangenafweging te maken. Daarnaast is zijn financiële situatie onvoldoende meegenomen in de belangenafweging.
7.1.
Eiser vraagt Baanbrekers om opnieuw een deugdelijke belangenafweging te maken waarbij rekening wordt gehouden wordt met de volgende feiten:
  • Hij heeft herhaaldelijk melding gemaakt van zijn financiële problemen, wat door de rechter is bevestigd. Eiser verwijst naar zijn IB aangifte van 2022 waarin een verzamelinkomen van afgerond € 12.000,- te zien is;
  • De B.V. is beëindigd en hij had geen actieve en liquide middelen meer;
  • Hij kan aantonen dat hij niet opzettelijk onjuist heeft gehandeld;
  • Hij kon in de betreffende periode niet aan de aflosverplichting voldoen zonder in armoede te raken.
Waar gaat het in deze zaak over?
8. Omdat op de zitting gebleken is dat eiser geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 13 mei 2025, staat vast dat eiser persoonlijk aansprakelijk is voor de terugvordering. Partijen zijn verdeeld over de vraag of Baanbrekers met het bestreden besluit alsnog een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt.
Heeft Baanbrekers een evenwichtige belangenafweging gemaakt?
9. Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet betreft een discretionaire bevoegdheid om tot terugvordering over te gaan. Dit betekent dat Baanbrekers bij de uitoefening van die bevoegdheid een belangenafweging moet maken.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit om niet van terugvordering af te zien, niet getuigt van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Baanbrekers heeft voorop mogen stellen dat het doel van de terugvordering de goede besteding van gemeenschapsgeld is en daarom zorgvuldig omgegaan moet worden met besteding hiervan. Omwille hiervan hanteert Baanbrekers als beleid [2] dat bijstand die teruggevorderd kan worden, in beginsel ook teruggevorderd moet worden. De omstandigheid dat eiser het hierdoor financieel moeilijk(er) zal krijgen, is hoewel voorstelbaar, op zichzelf bezien niet voldoende om de belangenafweging in het voordeel van eiser te doen uitvallen. Te meer omdat de bijstand in de vorm van een geldlening aan eiser was verstrekt. Daarmee was het eiser vanaf het begin al duidelijk dat de bijstand op enig moment terugbetaald moest worden. Doordat eiser zich niet heeft gehouden aan de aflosverplichting, heeft Baanbrekers het bedrag logischerwijs teruggevorderd. Anders dan door eiser is aangevoerd, heeft Baanbrekers in de nieuwe beslissing op bezwaar voldoende rekening gehouden met zijn financiële situatie. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser wordt beschermd door de regels over de beslagvrije voet. Bovendien is er een betalingsregeling getroffen die tot op heden correct door eiser wordt nagekomen. Ernstige financiële gevolgen als gevolg van het terugvorderingsbesluit zijn verder niet gesteld of gebleken. Op de zitting heeft eiser wel benadrukt dat de maandelijkse aflossing zwaar op hem en zijn gezin drukt. De rechtbank geeft eiser in overweging om contact op te nemen met Baanbrekers indien hij de betalingsregeling wilt laten aanpassen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niks verandert.
10.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 15 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand kan terugvorderen, voorzover de bijstand in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen.
Artikel 7:2:3. aanhef en onder b, van het Verzamelbesluit Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 bepaalt dat het dagelijks bestuur bijstand terugvordert van de belanghebbende voor zover deze bijstand in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen.

Voetnoten

2.Verzamelbesluit Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004, paragraaf 7.2. Terugvordering