Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens een verkeersboete. Hiertegen stelde betrokkene beroep in bij de officier van justitie, die de boetebeschikking vernietigde en een proceskostenvergoeding van €468,- toekende voor 25 samenhangende zaken.
Tegen deze proceskostenvergoeding werd door de gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak werd behandeld op 3 maart 2026, waarbij noch betrokkene noch gemachtigde aanwezig waren, en ook geen vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie verscheen. Het CVOM stuurde persoonlijke aantekeningen, maar deze werden door de kantonrechter niet als standpunt erkend.
De gemachtigde voerde aan dat de samenhang van deze zaak met 24 andere zaken ten onrechte was aangenomen. De kantonrechter oordeelde echter dat er inderdaad sprake was van samenhangende zaken zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, en verklaarde het beroep ongegrond.
De uitspraak werd op 26 februari 2026 in het openbaar gedaan door kantonrechter M.A.V. van Aardenne. Tegen deze beslissing kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de samenhangende verkeersboete en proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.