Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve verkeersboete opgelegd waarop hij beroep instelde bij de officier van justitie. De officier vernietigde de boetebeschikking en kende een proceskostenvergoeding toe voor 25 samenhangende zaken. Tegen deze vergoeding stelde de gemachtigde beroep in bij de kantonrechter.
De zaak werd behandeld op 3 maart 2026, waarbij de officier van justitie niet verscheen en geen verzoek tot aanhouding werd gedaan. De kantonrechter nam geen kennis van persoonlijke aantekeningen van de officier en behandelde de zaak zonder aanwezigheid van betrokkene en gemachtigde.
De gemachtigde voerde aan dat de samenhang met 24 andere zaken ten onrechte was aangenomen. De kantonrechter oordeelde echter dat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht sprake was van samenhangende zaken, omdat de bezwaren gelijktijdig werden behandeld en rechtsbijstand door dezelfde partij werd verleend.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de proceskostenvergoeding bevestigd. De uitspraak werd op 26 februari 2026 in het openbaar gedaan door kantonrechter M.A.V. van Aardenne.
Uitkomst: Het beroep tegen de samenhangende verkeersboete en proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.