Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen een administratieve sanctie in de vorm van een verkeersboete. De officier van justitie heeft de boetebeschikking vernietigd en een proceskostenvergoeding van €468,- toegekend voor twaalf samenhangende zaken. Tegen deze proceskostenvergoeding is door de gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op 3 maart 2026, waarbij namens de officier van justitie niemand verscheen. Het College van Officieren van Justitie Midden (CVOM) gaf aan dat er geen zittingsvertegenwoordiger aanwezig zou zijn, maar stuurde persoonlijke aantekeningen toe, die de kantonrechter niet als standpunt heeft beschouwd. Betrokkene en gemachtigde waren eveneens niet aanwezig.
De kantonrechter oordeelde dat de samenhang van de zaken terecht was aangenomen op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De samenhang betreft bezwaren die gelijktijdig zijn behandeld en waarbij rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon of een samenwerkingsverband met identieke werkzaamheden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de samenhangende verkeersboete en de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.