ECLI:NL:RBZWB:2026:1746

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/02/442102 / FA RK 25-5971
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Oomes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening omgangsregeling en kinderalimentatie tussen ouders

Partijen, voormalige partners met twee minderjarige kinderen, hebben een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening met betrekking tot kinderalimentatie en omgangsregeling. De vrouw verzocht om een bijdrage van €642 per maand per kind, terwijl de man een lagere bijdrage van €229 per maand per kind wilde vaststellen en tevens een contactregeling wilde regelen.

Tijdens de mondelinge behandeling bereikten partijen overeenstemming over de omgangsregeling en kinderalimentatie. De omgangsregeling voorziet in een afwisselend weekschema met contact vanaf donderdagavond tot maandagochtend of zondagochtend, met ruimte voor incidentele afwijkingen in onderling overleg. De kinderalimentatie is vastgesteld op €400 per maand per kind, met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2025 en een betaling van achterstallige alimentatie van €3.200.

De rechtbank heeft deze afspraken als voorlopige voorziening vastgelegd, waarbij ook is bepaald dat partijen uiterlijk 9 februari 2026 zullen berichten over verdere afspraken in een viergesprek. Daarnaast is een bindende afspraak gemaakt over gezamenlijk ouderlijk gezag, dat op 26 februari 2026 zal worden aangevraagd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling en kinderalimentatie vast conform de gemaakte afspraken en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/442102 / FA RK 25-5971
datum uitspraak 13 februari 2026
beschikking over het treffen van een provisionele voorziening
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Özgül,
en
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- de brief van mr. Özgül van 19 januari 2026 met bijlagen;
- het op 20 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man;
- de op 27 januari 2026 ontvangen akte wijziging verzoek met bijlagen van de vrouw.
1.2. Bij hetzelfde verzoekschrift van 17 november 2025 is ook de hoofdzaak aanhangig gemaakt. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/02/442101 / FA RK 25-5970.
1.3. De verzoeken tot het treffen van een provisionele voorziening zijn behandeld op de mondelinge behandeling van 30 januari 2026. Bij deze gelegenheid waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.
1.4. Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank, zoals afgesproken, nog ontvangen:
- de brief van mr. Özgül van 6 februari 2026 met bijlage;
- de brief van mr. Dekkers-De Jong van 6 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- tijdens deze relatie zijn geboren de volgende, nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, en
- [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017;
- de man heeft de kinderen erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over hen.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, bij wege van provisionele voorziening, vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 642,= per maand per kind, met ingang van 5 november 2025 dan wel met ingang van de datum van het verzoekschrift, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.
3.2.
De man verzoekt, bij wege van provisionele voorziening, samengevat:
- vaststelling van een contactregeling tussen hem en de kinderen;
- de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen, dan wel een door hem te betalen kinderbijdrage vast te stellen van € 229,= per maand per kind.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Op grond van artikel 223 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.2.
De rechtbank overweegt dat de vrouw ook in de hoofdzaak verzoekt om vaststelling van de kinderalimentatie. De man heeft in de hoofdzaak bij zijn verweerschrift van 20 januari 2026 zelfstandig verzocht hem samen met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen en een contactregeling vast te stellen. Zoals ter zitting is besproken en blijkt uit de nagekomen stukken, heeft de vrouw haar verweer tegen de te late indiening van dat verweerschrift ingetrokken. De rechtbank ziet dan ook geen beletsel meer om vast te stellen dat de onder 3. vermelde verzoeken voldoende samenhangen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoek.
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de verzoeken en standpunten van partijen over en weer besproken. Zij hebben op een aantal punten overeenstemming bereikt en afgesproken om op korte termijn in een viergesprek verder met elkaar in overleg te treden. Afgesproken is dat zij de rechtbank uiterlijk 9 februari 2026 berichten of dit overleg heeft geleid tot afspraken voor de duur van de bodemprocedure.
4.4.
Uit de na de mondelinge behandeling ingekomen stukken volgt dat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de voorliggende verzoeken.
Omgang
4.5.
Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt over de voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen:
1. de voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen zal er als volgt uit komen te zien:
a. in de eerste week vindt de omgang plaats vanaf donderdag 19.30 uur tot maandagochtend voor school. De man haalt de kinderen donderdagavond op en brengt hen maandagochtend naar school;
b. in de tweede week vindt de omgang plaats vanaf donderdag 19.30 uur tot zondagochtend 10.00 uur. De man haalt de kinderen bij de vrouw op en brengt hen ook weer bij haar terug;
2. de weken in bovenstaande regeling zullen zich steeds afwisselen, waarbij een aanvang wordt gemaakt met de eerste week op 26 februari 2026;
3. partijen zijn nadrukkelijk overeengekomen dat (incidentele) afwijking van deze regeling mogelijk is, indien zij hun gezamenlijk akkoord hiervoor hebben gegeven;
4. partijen hebben afgesproken dat zij in onderling overleg de vakanties zullen verdelen, waarbij als uitgangspunt een verdeling bij helfte zal zijn.
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen verzoeken de gemaakte afspraken op te nemen in een beschikking. De rechtbank beschouwt het door de man gedane verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling dan ook als gewijzigd conform de gemaakte afspraken. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, nu partijen het hierover eens zijn en niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Kinderalimentatie
4.7.
Partijen zijn verder het volgende overeengekomen over de kinderalimentatie:
a. met ingang van 1 november 2025 zal de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voldoen van € 400,= per maand per kind, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
b. de wettelijke indexering zal worden toegepast vanaf het volgende kalenderjaar, dus per 1 januari 2027;
c. de man zal de achterstallige alimentatiebedragen over de maanden november 2025 tot en met februari 2026 (in totaal zijnde een bedrag van € 3.200,=) uiterlijk zondag voldoen aan de vrouw.
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen verzoeken de gemaakte afspraken op te nemen in een beschikking. De rechtbank beschouwt de verzoeken van partijen tot vaststelling van een kinderalimentatie dan ook als gewijzigd conform de gemaakte afspraken. De rechtbank zal deze verzoeken toewijzen, als na te melden. Wat betreft de wettelijke indexering overweegt de rechtbank dat de bijdrage met terugwerkende kracht wordt vastgesteld tot een datum voorafgaand aan deze beschikking, waardoor de wettelijke indexering in de tussenliggende periode (met ingang van 1 januari 2026) niet van rechtswege van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat de bijdrage voor het eerst zal worden geïndexeerd per 1 januari 2027, hetgeen conform de afspraak van partijen is. Dit maakt dat partijen geen belang hebben bij opneming van deze afspraak in de beschikking. Verder wordt ervan uitgegaan dat bij partijen genoegzaam bekend is welke specifieke datum geldt voor de afspraak dat de man uiterlijk zondag de achterstallige kinderbedragen zal voldoen.
Ouderlijk gezag
4.9.
Partijen hebben met elkaar ook afspraken gemaakt over het gezamenlijk ouderlijk gezag. Zij zullen op 26 februari 2026 om 19.00 uur in de woning van de vrouw samen met hun digid het gezamenlijk ouderlijk gezag aanvragen. Aan de rechtbank ligt in deze procedure geen verzoek over het ouderlijk gezag voor, zodat deze afspraak niet in het dictum kan worden opgenomen. Dit neemt niet weg dat deze afspraak tussen partijen bindend is.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de man en de minderjarigen – [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014 en [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017 – gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
- in de eerste week vanaf donderdag 19.30 uur tot maandagochtend voor school. De man haalt de kinderen donderdagavond op en brengt hen maandagochtend naar school;
- in de tweede week vanaf donderdag 19.30 uur tot zondagochtend 10.00 uur. De man haalt de kinderen op en brengt hen weer terug bij de vrouw;
- de weken in voornoemde regeling zullen zich steeds afwisselen, waarbij een aanvang wordt gemaakt met de eerste week op 26 februari 2026;
- ( incidentele) afwijking van deze regeling is mogelijk, indien partijen hun gezamenlijk akkoord hiervoor hebben gegeven;
- gedurende de vakanties door partijen in onderling overleg te verdelen, waarbij het uitgangspunt een verdeling bij helfte zal zijn;
5.2.
bepaalt, bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de man met ingang van 1 november 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen een bedrag van € 400,= (vierhonderd euro) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw moet voldoen;
5.3.
bepaalt dat de man uiterlijk op zondag een bedrag van € 3.200,= (drieduizendtweehonderd euro) aan de vrouw moet voldoen uit hoofde van achterstallige kinderalimentatie, met inachtneming van rechtsoverweging 4.7.;
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.