ECLI:NL:RBZWB:2026:1755

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/11634
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 2 Wet BPMArt. 10 lid 8 Wet BPMArt. 8 lid 4 Uitvoeringsregeling BPMArt. 1 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 10.368 opgelegd door de inspecteur, die de rechtbank heeft beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld, mede omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsinkoopwaarde lager moet zijn dan door de inspecteur vastgesteld.

De rechtbank heeft uitgebreid gekeken naar de taxatiemethode, de afschrijvingspercentages, en de waardevermindering door schade. De door belanghebbende aangevoerde schade en waardevermindering werden niet voldoende onderbouwd, en het ontbreken van Nederlandstalige onderhoudsboeken leidt niet tot een waardevermindering.

Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek gedaan tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn met ongeveer 16 maanden is overschreden en kent een schadevergoeding toe van € 1.500, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt.

De rechtbank wijst het beroep tegen de naheffingsaanslag af, maar veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten. Het griffierecht wordt niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt afgewezen, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11634
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 10.368 (de naheffingsaanslag). Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 33 (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 28 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een BMW 328 I X-DRIVE met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.422.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is als datum van expertise en opdrachtdatum vermeld van 2 september 2021. Het taxatierapport is opgemaakt op 24 september 2021.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ).
4.3.
De inspecteur heeft vervolgens naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 11.790 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Afschrijvingsmethode
4.4.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto niet voorkomt op een koerslijst. In beginsel kan daarom voor de berekening van de verschuldigde bpm worden uitgegaan van de taxatiemethode. [2]
4.6.
De wijze van vaststellen van het afschrijvingspercentage wordt niet in artikel 10, lid 2, Wet BPM geregeld maar, voor wat betreft de taxatiemethode, in artikel 10, lid 8, Wet BPM. Deze methode beoogt te komen tot een waarde die de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig zo goed mogelijk benadert en aldus een reële waardedaling van het desbetreffende motorrijtuig vast te stellen. Bij toepassing van de taxatiemethode geldt dat de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig ook gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig, dat wil zeggen een in zo’n koerslijst voorkomend gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorrijtuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het te registreren motorrijtuig. [3]
4.7.
De inspecteur heeft gesteld dat het door belanghebbende bij het doen van de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de auto, omdat het taxatierapport niet conform artikel 8, lid 4, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling bpm (Uitv.reg. BPM) is opgemaakt ten hoogste één maand voor het tijdstip dat de belasting ingevolge artikel 1 Wet Pro op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) is verschuldigd, in de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert. [4]
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat het taxatierapport op 24 september 2021 is opgemaakt. De taxateur heeft in het rapport vermeld dat hij de auto op 6 september 2021 om 13:00 uur heeft geïnspecteerd. Nu het taxatierapport niet ouder is dan één maand, ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport om deze reden buiten de beschouwing te laten. De rechtbank zal hieronder beoordelen of sprake is van meer dan gebruikelijke gebruiksschade.
Waardevermindering in verband met schade
4.9.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 15.559,89 en 72% hiervan, zijnde € 11.202, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel.
4.11.
Belanghebbende betoogt dat de auto wordt vergeleken met een Nederlandse auto die over Nederlandstalige boeken beschikt. Omdat de auto van belanghebbende niet over Nederlandstalige boeken beschikt, moet wegens het ontbreken daarvan een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde worden toegestaan, aldus belanghebbende.
4.12.
Naar de rechtbank begrijpt doelt belanghebbende met “Nederlandse boeken” op Nederlandstalige onderhoudsboeken. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van dergelijke bescheiden niet leidt tot de door belanghebbende gestelde waardevermindering. Onderhoudsboeken geven een weergave van het onderhoud dat in de loop der jaren is gepleegd, en kunnen gezien de herkomst van de auto niet in het Nederlands gesteld zijn. De inspecteur heeft verder onweersproken gesteld dat de auto wel beschikt over buitenlandse onderhoudsboeken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de door belanghebbende gestelde waardevermindering. [5]
Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.13.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [6] en gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto gesteld moet worden op € 107.907, gebaseerd op een netto catalogusprijs van € 47.121 vermeerderd met € 9.895 btw en € 50.891 bruto bpm. De netto catalogusprijs is conform de door DRZ gehanteerde netto catalogusprijs.
4.14.
Belanghebbende beroept zich met betrekking tot de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op de bij haar taxatierapport gevoegde koerslijst Eurotax. Volgens belanghebbende is in de koerslijst Autotelexpro, waarop de naheffingsaanslag gebaseerd is, dezelfde referentieauto opgenomen. Verder merkt belanghebbende op dat voor de toepassing van de koerslijst Eurotax de correctiefactoren zijn toegepast en dat het een koerslijst betreft vóór de toepassing van de disclaimer.
4.15.
De inspecteur heeft betwist dat belanghebbende de juiste koerslijst heeft toegepast. Volgens de inspecteur komen de opties niet overeen met de SilverDat gegevens. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende rekening gehouden met een waarde van € 3.834 terwijl door DRZ de opties zijn gewaardeerd op € 8.456. Daarnaast is door de taxateur van belanghebbende een ander referentievoertuig gebruikt, namelijk 330i terwijl DRZ 328i als referentievoertuig heeft gebruikt. Daarnaast heeft de inspecteur gesteld dat ook niet kan worden uitgegaan van de koerslijst Autotelexpro. Daarbij heeft hij erop gewezen dat er een verschil is in CO2-uitstoot van 89 gr/km tussen het referentievoertuig en de auto. Het is aannemelijk dat dit verschil wordt veroorzaakt door verschillen in bijvoorbeeld uitvoering en/of opties. Dat de auto’s verschillend zijn, wordt onderstreept door een groot verschil in gewicht. Zo is het referentievoertuig 1.585 kg en het voertuig van belanghebbende 1.864 kg. Volgens de inspecteur kan zowel de netto catalogusprijs als de handelsinkoopwaarde daarom ook niet worden bepaald aan de hand van de koerslijst Autotelexpro. Verder wijst de inspecteur erop dat belanghebbende de auto voor € 15.938 euro excl. btw heeft aangeschaft. Indien hierbij de verschuldigde bpm wordt gerekend van € 11.790, betaalt belanghebbende minimaal € 27.728 voor het voertuig.
4.16.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de door haar voorgestane handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat niet aannemelijk gemaakt, aangezien belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de koerslijst Eurotax alle opties van de auto zijn meegenomen en omdat er sprake is van een groot verschil in CO2-uitstoot tussen de auto en het referentievoertuig in de koerslijst Autotexpro. De rechtbank acht, mede gelet op het verschil in gewicht van beide auto’s, aannemelijk dat het verschil in CO2-uitstoot ten minste deels moet zijn veroorzaakt door (nog meer) extra opties, uitvoering en motormanagement van de auto, leidend tot een hogere waarde. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking het verschil tussen de aankoopprijs van de auto en de door belanghebbende bepleitte handelsinkoopwaarde. Zelfs indien de historische nieuwprijs wordt vastgesteld conform het standpunt van belanghebbende, dan heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op een zodanig bedrag dat dit tot een verlaging van de verschuldigde bpm leidt. De naheffingsaanslag is reeds gebaseerd op de forfaitaire tabel omdat dit gunstiger was voor belanghebbende. De naheffingsaanslag is daarom niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Belastingrente
4.17.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd tegen de hoogte van de belastingrente of de wijze waarop die is berekend. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de naheffingsaanslag volgt.
Immateriële schadevergoeding
4.18.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.19.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.20.
Omdat de bezwaarfase afgerond 12 maanden heeft geduurd en daarmee 6 maanden te lang, komt 6/16 deel, derhalve € 562,50 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 937,50 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [7] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [8] maar de redelijke termijn was op deze datum nog niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 562,50;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 937,50;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is enkel door de griffier ondertekend aangezien de rechter is verhinderd om te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
2.Artikel 10, lid 8, van de Wet BPM.
3.Vgl. ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4 en ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
4.Wettekst 2021.
7.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
8.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.