ECLI:NL:RBZWB:2026:18
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding na overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.128 en een belastingrentebeschikking van € 20 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld en beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd.
De kern van het geschil betreft de toepasbaarheid van de herleidingsmethode, de hoogte van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde van een Audi Q3 Sportback TFSI RS. De rechtbank volgt de Hoge Raad en wijst het beroep op de herleidingsmethode af. De historische nieuwprijs wordt vastgesteld op € 128.300, gebaseerd op een bruto BPM van € 33.777.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, mede gelet op de leeftijd, kilometerstand en verkoopadvertentie van de auto. De koerslijstwaarde van Eurotax wordt als te laag beschouwd, maar het verschil met AutotelexPro leidt niet tot verlaging van de aanslag. De naheffingsaanslag en belastingrente worden gehandhaafd.
Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer acht maanden. De vergoeding wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Daarnaast worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend, maar het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.