ECLI:NL:RBZWB:2026:180

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
11638770 \ CV EXPL 25-1169
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van der Burgt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst geneeskundige behandeling en afwijzing incassokosten consument

Mindler B.V. vordert betaling van twee facturen voor een geneeskundige behandeling van in totaal € 1.776,86, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. De overeenkomst is via een app tot stand gekomen en de zorg is verleend. Gedaagde betwist de facturen niet, maar stelt dat door een wijziging in de werkwijze van Mindler de facturen te laat bij de zorgverzekeraar zijn ingediend.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de facturen tijdig heeft ontvangen en voldoende tijd had om deze in te dienen bij de zorgverzekeraar. Het verweer dat de facturen te laat zijn ontvangen wordt verworpen. De gevorderde hoofdsom wordt daarom toegewezen.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat de aanmaningsbrief niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor consumenten, waardoor onduidelijkheid ontstond over de betalingstermijn. Ook de vordering tot wettelijke rente wordt afgewezen omdat Mindler niet de volledige algemene voorwaarden heeft overgelegd, waardoor toetsing op oneerlijke bedingen niet mogelijk was.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en proceskosten, incassokosten en wettelijke rente worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11638770 \ CV EXPL 25-1169
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
MINDLER B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Mindler,
gemachtigde: Flanderijn & van Eck,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 mei 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de aanvullende productie 7 met begeleidende brief van Mindler,
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een overeenkomst voor een geneeskundige behandeling gesloten. Mindler heeft [gedaagde] op 27 oktober 2022 twee facturen toegestuurd. [gedaagde] heeft deze facturen onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
Mindler vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.330,85 (bestaande uit € 1.776,86 aan hoofdsom, € 322,50 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 231,49 aan rente), vermeerderd met wettelijke rente over de hoofdsom en kosten.
3.2.
Mindler legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de hoofdsom van € 1.776,86 verschuldigd is op grond van de overeenkomst van een geneeskundige behandeling. [gedaagde] is tijdens aanmelding via de app akkoord gegaan met de algemene voorwaarden. Na het intakegesprek is de overeenkomst tot stand gekomen. De zorg is verleend en de medicatie is verstrekt, waarvoor nota’s zijn verstuurd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat Minder plots haar werkwijze heeft veranderd, waardoor de factuur te laat bij de zorgverzekeraar is ingediend. De behandelaar waarbij [gedaagde] de eerste tweeëneenhalve maand in behandeling is geweest, zorgde zelf voor de facturatie, zij stuurde haar facturen zelf naar de zorgverzekeraar. Na het uitvallen van de behandelaar stopte ook de facturatie. Vervolgens heeft [gedaagde] pas enkele maanden later de facturen van de nieuwe behandelaar ontvangen, waardoor deze te laat bij de zorgverzekeraar zijn ingediend.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. [gedaagde] is, hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen zodat de kantonrechter daar de gevolgtrekking aan zal verbinden die hij geraden acht.
4.2.
Mindler vordert betaling van twee facturen van in totaal € 1.776,86. [gedaagde] voert bij antwoord aan dat Mindler haar werkwijze heeft aangepast, waardoor zij de facturen te laat heeft ontvangen om deze nog in te kunnen dienen bij haar zorgverzekeraar. Mindler heeft in reactie daarop ter zitting gemotiveerd betwist dat sprake zou zijn van een aangepaste werkwijze. Verder heeft Mindler betwist dat [gedaagde] de facturen te laat heeft ontvangen. [gedaagde] heeft deze facturen kort na de behandeling ontvangen en had gedurende drie jaar de tijd deze bij haar zorgverzekeraar in te dienen. Die termijn was zelfs ten tijde van de conclusie van antwoord nog niet verlopen. [gedaagde] heeft de reactie van Mindler niet weersproken. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid dan wel de hoogte van de facturen, zij heeft slechts aangevoerd dat zij deze te laat heeft ontvangen. De kantonrechter zal de gevorderde hoofdsom dan ook toewijzen.
Rente en kosten
4.3.
Mindler vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Mindler heeft [gedaagde] op 7 augustus 2023 een brief verstuurd, tezamen met een aanmaning, waarin staat vermeld: ‘Bijgevoegd sturen wij u de laatste herinnering alvorens wij u overdragen aan onze incassopartner.’ ‘We vragen u het openstaande bedrag binnen 14 dagen over te maken (…).’ Nu voornoemde brief en aanmaning tezamen als één geheel zijn verstuurd, dienen beide brieven aan de wettelijke vereisten te voldoen. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de begeleidende brief bij de aanmaning aan de gedaagde partij een correcte betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704. Het is voor de consument onvoldoende duidelijk en daarmee verwarrend of de betalingstermijn uit de aanmaning of de daarvan afwijkende betalingstermijn uit de begeleidende brief bedoeld is.
4.4.
Mindler vordert vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom van € 1.776,86 vanaf 26 november 2022. Dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen, omdat Mindler niet haar volledige algemene voorwaarden heeft overgelegd. De kantonrechter kan bij gebreke van de volledige algemene voorwaarden niet toetsen of de algemene voorwaarden oneerlijke bedingen bevatten op basis waarvan de wettelijke rente moet worden afgewezen. Vergoeding van de wettelijke rente zal dan ook worden afgewezen.
4.5.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mindler worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.041,14

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Mindler te betalen een bedrag van € 1.776,86,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.041,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.