ECLI:NL:RBZWB:2026:1839

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/3482
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gegrondverklaring beroep tegen dwangsom en niet-ontvankelijkheid handhavingsverzoek

Eiseressen dienden een handhavingsverzoek in tegen het gebruik van hun perceel als kleinschalig kampeerterrein, dat door het college werd afgewezen. Na bezwaar en het niet tijdig nemen van een besluit daarop, werd een beroep ingesteld bij de rechtbank. Tijdens de procedure nam het college alsnog het bestreden besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk is omdat het besluit inmiddels is genomen. Het beroep tegen het bestreden besluit is deels gegrond, namelijk voor de hoogte van de toegekende dwangsom, die door de rechtbank wordt verhoogd van € 357,00 naar € 392,00 vanwege de late bekendmaking.

Het beroep tegen het handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk omdat eiseressen geen actueel procesbelang hebben. Het college handhaaft niet op het westelijk deel van het perceel vanwege bijzondere omstandigheden en een lopende procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseressen.

Uitkomst: Het beroep is deels gegrond voor de hoogte van de dwangsom en deels niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang; de dwangsom wordt verhoogd naar € 392,00.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3482

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

1.
[eiseres 1], wonende te [plaats] ,
2. [eiseres 2]
C.V., gevestigd te [plaats] ,
eiseressen,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een door eiseressen ingediend handhavingsverzoek voor het perceel aan de [adres] in [plaats] (perceel). Het college heeft dit verzoek zowel in het besluit van 14 augustus 2024 als in het bestreden besluit in bezwaar van 22 juli 2025 afgewezen. Eiseressen zijn het niet eens met de reden waarom het verzoek is afgewezen en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Ook gaat de uitspraak over de hoogte van een door het college toegekende dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar niet-ontvankelijk is omdat gedurende de beroepsprocedure het bestreden besluit is genomen. Het beroep tegen het bestreden besluit is deels gegrond vanwege de verkeerde hoogte van de door het college toegekende dwangsom en deels niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Eiseressen krijgen dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseressen hebben op 8 april 2024 bij het college een handhavingsverzoek ingediend over het eigen gebruik van het perceel door eiseressen. Het college heeft het handhavingsverzoek bij besluit van 14 augustus 2024 afgewezen. Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Na het verstrijken van de beslistermijn in bezwaar hebben eiseressen bij de rechtbank een beroepschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een bestreden besluit op het bezwaar. Het college heeft hangende beroep alsnog het bestreden besluit genomen.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseressen
zijn door hun gemachtigde vertegenwoordigd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] en [persoon 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
3. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter een ingediend beroep alleen inhoudelijk hoeft te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden, de indiener moet een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan [1] .
3.1.
Het door eiseressen ingediende handhavingsverzoek ziet op het door hen beoogde en al dan niet gerealiseerde gebruik van het perceel als kleinschalig kampeerterrein. Het college heeft in het bestreden besluit het besluit van 14 augustus 2024 herroepen en bepaald dat het exploiteren van een kleinschalig kampeerterrein op het oostelijk deel van het perceel niet in strijd is met het planologische regime. Eiseressen zijn het daarmee eens. Voor het oostelijk deel van het perceel is er dan ook geen procesbelang. Het beroep van eiseressen dient in zoverre niet-ontvankelijk verklaard te worden.
3.2.
Voor wat betreft het westelijk deel van het perceel levert het beoogde gebruik volgens het college wel een overtreding op. Het college ziet vanwege bijzondere omstandigheden af van handhavend optreden. De bijzondere omstandigheden zijn erin gelegen dat het perceel in het oorspronkelijke bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden’ had. De exploitatie van een kleinschalig kampeerterrein was hier toegestaan. In de loop der tijd is dit bestemmingsplan een aantal keren herzien en is ook voor de op het westelijke deel gevestigde paardenbak en het parkeerterrein een omgevingsvergunning verleend. Hierdoor is een situatie ontstaan die de exploitatie van een kleinschalig kampeerterrein op het westelijk deel van het perceel in de weg staat, terwijl het perceel hier toen al op was ingericht. Een en ander is niet eerder aan de orde geweest, het college heeft dit evenmin eerder opgemerkt en het voorgaande is buiten toedoen van eiseressen ontstaan.
3.3.
Eiseressen stellen dat het beoogde gebruik van het westelijk deel van het perceel onder het overgangsrecht van het planologisch regime valt en dat er daarom geen sprake van een overtreding is.
3.4.
De rechtbank overweegt dat het college voornemens is om een en ander bij de eerstvolgende herziening van het omgevingsplan op te lossen. In de tussenliggende periode handhaaft het college niet, omdat het college handhavend optreden onder deze omstandigheden als onevenredig beschouwt. Voor zover de gemeenteraad niet instemt met de door het college beoogde aanpassing van het omgevingsplan, beschouwt het college handhavend optreden ter zake het westelijk deel van het perceel nog steeds als in strijd met het evenredigheidsbeginsel en als onbehoorlijk bestuur. Eiseressen hebben tijdens de zitting desgevraagd bevestigd dat het beroep op het overgangsrecht ook onderdeel uitmaakt van een procedure over de zesde herziening van het bestemmingsplan die nu nog bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) loopt. Het is invoelbaar dat eiseressen van de rechtbank een oordeel wensen over het standpunt van het college dat eiseressen het beroep op het overgangsrecht onvoldoende onderbouwd hebben. Maar zelfs als de rechtbank daarover inhoudelijk oordeelt, leidt dat niet tot een andere uitkomst van het handhavingsverzoek. Ook dan – uitgaande van het huidige gebruik – gaat het college niet over tot handhavend optreden. Eiseressen hebben dus ook geen procesbelang bij een oordeel over de afwijzing van het handhavingsverzoek over het westelijk deel van het perceel. Ook dit deel van het beroep dient niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Omvang van het resterende geschil
4. De rechtbank moet beoordelen of het college in het bestreden besluit op goede gronden de hoogte van de dwangsom – vanwege het niet tijdig nemen van het bestreden
besluit – op € 357,00 heeft vastgesteld.
4.1.
Eiseressen hebben in beroep aangevoerd dat het college een dwangsom van
€ 392,00 had moeten vaststellen, omdat het bestreden besluit pas een dag na het nemen ervan bekend is gemaakt. Het college heeft tijdens de zitting erkend dat dit het geval is. Het beroep tegen het bestreden besluit is in zoverre gegrond.

Conclusie

5. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van het bestreden besluit is niet-ontvankelijk, omdat hangende beroep het bestreden besluit is genomen. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond voor zover het gericht is tegen de vastgestelde hoogte van de dwangsom. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt de rechtbank dat eiseressen in plaats van de toegekende dwangsom recht hebben op een dwangsom van € 392,00. Het deel van het beroep dat gericht is tegen het afgewezen handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De afwijzing van het handhavingsverzoek blijft dus in stand.
5.1.
Omdat het beroep gedeeltelijk gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van hun proceskosten. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Omdat de zaak over de hoogte van de dwangsom een zeer licht gewicht heeft, is op deze waarde de factor 0,25 toegepast. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,00.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar
niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond voor zover het is gericht tegen de hoogte van de toegekende dwangsom;
- vernietigt de in het bestreden besluit toegekende dwangsom van € 357,00 en verklaart dat eiseressen in plaats daarvan recht hebben op een dwangsom van € 392,00 wegens het niet tijdig nemen van het bestreden besluit;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,00 aan eiseressen moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 467,00 aan proceskosten aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan op 18 maart 2026 door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1581.