ECLI:NL:RBZWB:2026:1841

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/02/441169 / FA RK 25-5456
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Haerkens-Wouters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wijziging gezag en hoofdverblijf, wel vervangende toestemming hulpverlening minderjarige

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind. De vrouw verzoekt bij voorlopige voorziening om tijdelijk eenhoofdig gezag, wijziging hoofdverblijf en opschorting omgangsregeling, vanwege zorgen over het welzijn van het kind en het niet nakomen van afspraken door de man.

De rechtbank oordeelt dat het primaire verzoek tot eenhoofdig gezag onvoldoende spoedeisend belang heeft en dat de vrouw niet duidelijk een juridische grondslag voor het tijdelijke gezag heeft gegeven. Ook het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf en opschorting van de omgangsregeling wordt afgewezen omdat geen spoedeisend belang is aangetoond en de feitelijke situatie al anders is dan overeengekomen.

Wel wordt het subsidiaire verzoek toegewezen om de vrouw vervangende toestemming te geven voor het inschakelen van hulpverlening voor het kind, gezien de noodzaak van therapeutische ondersteuning en het ontbreken van medewerking van de man aan onderzoeken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt totdat in de hoofdzaak definitief wordt beslist.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging gezag, hoofdverblijf en opschorting omgang afgewezen, vervangende toestemming hulpverlening wel verleend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/441169 / FA RK 25-5456
Datum uitspraak: 11 februari 2026
beschikking betreffende provisionele voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. D.W.L. Cloots te Bergen op Zoom,
en
[de man],
wonende aan de [adres] ,
hierna te noemen de man.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 20 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen, genummerd 1 tot en met 8;
- de brief van mr. Cloots, met bijlagen, van 23 oktober 2025;
- de brief van mr. Cloots van 17 november 2025.
1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/441106 / FA RK 25-5420. In de hoofdzaak liggen verzoeken tot eenhoofdig gezag, het opschorten van de omgangsregeling, het hoofdverblijf en kinderalimentatie ter beoordeling voor.
1.3. De zaak is behandeld op de zitting van 28 januari 2026. Bij die gelegenheid is de vrouw verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man is, ondanks behoorlijke oproeping, niet verschenen en heeft ook geen verweerschrift ingediend.
1.4. Na te noemen minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt en heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter
.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2022. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 3] 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op [datum 2] 2022 ingeschreven in de daartoe bestemde registers.
2.2.
Voorafgaand aan hun huwelijk is het volgende nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017 (hierna [minderjarige 1] ). [minderjarige 1] is door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.3.
Van voormelde beschikking van [datum 3] 2022 maken deel uit het door beide partijen ondertekende convenant en ouderschapsplan. In dat ouderschapsplan zijn partijen, voor zover nu van belang, (samengevat) overeengekomen dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf bij de man heeft, dat [minderjarige 1] in co-ouderschap wordt opgevoed en dat de ouders de dagelijkse kosten van [minderjarige 1] dragen voor de tijd dat [minderjarige 1] bij ieder van hen verblijft, waarbij de verblijfsoverstijgende kosten ook gelijk worden gedragen.
2.4.
De vrouw heeft, naast [minderjarige 1] , nog twee minderjarige kinderen, namelijk:
1. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2014,
2. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2025.
2.5.
De vrouw is op [datum 4] 2023 een geregistreerd partnerschap aangegaan met de heer
[persoon 1] ( [persoon 2] ).

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt nu bij wege van voorlopige voorziening, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, samengevat:
- primair: tijdelijk eenhoofdig gezag;
subsidiair: vervangende toestemming voor het inschakelen van hulp en wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] ;
- opschorting van de zorg- dan wel omgangsregeling.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). Verder heeft te gelden dat de rechter, als er geen verweer wordt gevoerd, een verzoek zal toewijzen, tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt onderhavig verzoek samen met het verzoek in de hoofdzaak. De rechtbank moet vervolgens onderzoeken of bij de toewijzing van het verzoek een voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank moet daarbij de belangen van alle betrokkenen afwegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
Ter onderbouwing van haar verzoeken stelt de vrouw het volgende.
De zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] is door de vrouw opgeschort. De vrouw heeft de man dit per brief van 16 juni 2025 bericht. Hierop heeft de man niet gereageerd. De reden voor stopzetting was dat de man herhaaldelijk afspraken niet nakwam en dat hij geregeld onder invloed was van alcohol. De man voldeed de kinderopvangkosten niet meer, zodat de vrouw een nieuwe overeenkomst is aangegaan met de BSO. Zij betaalt de opvang nu zelf. Zij kan echter geen kindgebonden budget aanvragen, zolang [minderjarige 1] bij de man staat ingeschreven. Daarnaast voldeed hij zijn woonlasten ook niet meer, was het water in de woning van de man afgesloten en de auto van de man total loss, vermoedelijk vanwege een incident toen hij onder invloed van alcohol reed. De deurwaarder heeft inmiddels beslag gelegd op het loon van de man. De vrouw houdt de man nog steeds op de hoogte over [minderjarige 1] , maar de man reageert hier niet op. Hij neemt zelf ook geen contact op. Toen [minderjarige 1] nog wel bij de man verbleef, ging zij op sommige dagen niet naar school, ondanks dat geen sprake was van ziekte.
Verder werkt de man niet mee met de betrokken instanties (gemeente Roosendaal en Veilig Thuis). [minderjarige 1] heeft dringend hulp nodig van een therapeut/psycholoog. Zo is er onder meer een vermoeden van seksueel misbruik. Veilig Thuis is in dat kader betrokken, maar de man werkt niet mee aan een onderzoek. Door een orthopedagoog van het Centra Jeugd en Gezin West-Brabant is vastgesteld dat de verontrusting, dat er seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, terecht blijkt te zijn. Volgens het veiligheidsteam wordt passende hulpverlening voor [minderjarige 1] haar nu onthouden. Gelet op de huidige situatie is het dus van groot belang dat [minderjarige 1] snel hulp krijgt. De reactie van de man blijft echter (bij herhaling) uit.
4.4.
Zoals hiervoor is overwogen moet de rechtbank onderzoeken of de vrouw een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om alleen met het gezag over [minderjarige 1] te worden belast. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat het van groot belang is dat [minderjarige 1] hulp krijgt. Naar het oordeel van de rechtbank is enkel die omstandigheid onvoldoende om nu in het kader van deze procedure een verstrekkende beslissing te (kunnen) nemen over een wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag. Niet gesteld of gebleken is van overige, spoedeisende, omstandigheden die maken dat de bodemprocedure niet door de vrouw kan worden afgewacht. Ook heeft de (advocaat van de) vrouw, desgevraagd, tijdens de zitting niet duidelijk kunnen maken wat de juridische grondslag is voor haar verzoek om “tijdelijk” met het eenhoofdig gezag te worden belast. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het primaire verzoek van de vrouw af te wijzen.
4.5.
Met betrekking tot het (subsidiaire) verzoek van de vrouw, om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] in te kunnen schrijven voor een hulpverleningstraject, wordt als volgt overwogen. Op basis van de door de vrouw overgelegde stukken staat voldoende vast dat hulpverlening voor [minderjarige 1] direct noodzakelijk is. Dit om eventuele bijzonderheden ten aanzien van de (seksuele) ontwikkeling van [minderjarige 1] , zoals aangegeven in (productie 4 van de vrouw) het verslag van de orthopedagoog voor Centra Jeugd en Gezin West-Brabant, te kunnen onderzoeken. Ook vindt de rechtbank het van belang dat [minderjarige 1] hulpverlening krijgt omdat zij al geruime tijd geen fysiek contact met haar vader heeft gehad en tijdens het kindgesprek is gebleken dat [minderjarige 1] daar last van heeft. Tijdens de zitting heeft de vrouw verklaard dat [minderjarige 1] haar vader op 16 juni 2025 voor het laatst heeft gezien. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de rechtbank voldoende spoedeisend belang om het subsidiaire verzoek van de vrouw, ter zake het hulpverleningstraject voor [minderjarige 1] , toe te wijzen. De rechtbank zal dan ook aan de vrouw vervangende toestemming verlenen voor het inschakelen van hulpverlening voor [minderjarige 1] .
4.6.
Verder is door de vrouw (subsidiair) verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] te wijzigen. De rechtbank stelt vast dat door de vrouw niet is gesteld wat het spoedeisend belang is bij dit deel van haar verzoek. Daarnaast is tijdens de zitting gebleken dat [minderjarige 1] – anders dan partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen – feitelijk al langere tijd bij de vrouw woont. Niet gesteld of gebleken is dat op het moment van de zitting, of in de periode daaraan voorafgaand, tussen partijen discussie bestaat, of heeft bestaan, over de huidige verblijfplaats van [minderjarige 1] . Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank niet in waarom de vrouw met betrekking tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] niet het verloop van de bodemprocedure af zou kunnen wachten. Het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] zal daarom voor nu worden afgewezen.
4.7.
De rechtbank overweegt als volgt ter zake het verzoek van de vrouw tot opschorting van de zorg- en omgangsregeling (hierna zorgregeling). Zoals hiervoor is overwogen heeft de vrouw bij brief van 16 juni 2025 aan de man geschreven dat de zorgregeling tussen hem en [minderjarige 1] wordt opgeschort per 16 juni 2025. Tijdens de zitting heeft de vrouw verklaard dat de man sindsdien geen aanspraak heeft gemaakt op nakoming van de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank niet in wat het spoedeisend belang is van de vrouw om nu, in het kader van deze procedure, opschorting te vragen van de tussen partijen overeengekomen zorgregeling. De rechtbank zal dat deel van het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

5.De beslissing

De rechtbank
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist:
5.1.
verleent aan de vrouw vervangende toestemming om hulpverlening in te kunnen schakelen voor de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, rechter, en in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.