ECLI:NL:RBZWB:2026:1850

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/6170
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar WOZ-beschikking

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking 2024 voor een object met waardepeildatum 1 januari 2023. De heffingsambtenaar heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit bezwaar beslist, ondanks meerdere verzoeken en ingebrekestellingen van belanghebbende en diens gemachtigde.

De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar geen verweer heeft gevoerd en geen stukken heeft ingediend, waardoor de standpunten van belanghebbende als juist worden aangenomen. Uit het dossier blijkt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat een uitspraak op bezwaar is gedaan.

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €50 per dag met een maximum van €7.500, waarvan zij de reeds verschuldigde dwangsom van €1.442,- vaststelt.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen en een dwangsom te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan Het Nieuwe WOZ-bureau),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Gilze en Rijen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 23 februari 2024 tegen de WOZ-beschikking 2024, waardepeildatum 1 januari 2023, voor het object [adres] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
2.1.
De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. [2] De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten en stukken van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift ingediend op 23 februari 2024. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. [3] De termijn waarbinnen de heffingsambtenaar moet beslissen is inmiddels voorbij.
3.1.
De rechtbank merkt op dat tot het dossier diverse e-mails tussen de gemachtigde en de heffingsambtenaar behoren. De heffingsambtenaar heeft op 20 november 2024 te kennen gegeven dat al uitspraak op bezwaar is gedaan. In een e-mail van 24 december 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraken op bezwaar van de gemeente Alphen-Chaam toegestuurd en de gemachtigde geïnformeerd dat de uitspraken op bezwaar voor de gemeente Gilze en Rijen in een aparte e-mail wordt toegezonden. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 20 maart 2025 in gebreke gesteld. De rechtbank begrijpt uit een e‑mail van 23 mei 2025 van de gemachtigde dat hij vervolgens diverse uitspraken op bezwaar heeft ontvangen, maar die van het object aan de [adres] nog niet. In een e-mail van 6 oktober 2025 heeft de gemachtigde nogmaals verzocht om de uitspraak op bezwaar voor dit object toe te zenden. In het beroepschrift voert de gemachtigde aan dat hij nog steeds geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen en de heffingsambtenaar in gebreke is te beslissen. Het ligt in dat geval op de weg van de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat uitspraak op bezwaar is gedaan. Dat heeft de heffingsambtenaar niet gedaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de heffingsambtenaar nog geen beslissing heeft genomen. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de heffingsambtenaar worden opgelegd?
4. Omdat de heffingsambtenaar nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de heffingsambtenaar dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de heffingsambtenaar opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de heffingsambtenaar. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Belanghebbende heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [4]
6.1.
De heffingsambtenaar heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De maximale dwangsom is in dit geval verschuldigd en bedraagt € 1.442,-.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat belanghebbende gelijk krijgt, de heffingsambtenaar de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de heffingsambtenaar de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door de heffingsambtenaar al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 116,75 [5] omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Daarbij heeft de rechtbank een factor 0,25 toegepast. [6]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 8:42 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 236 van Pro de Gemeentewet.
4.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.
5.1 punt van € 934, een wegingsfactor 0,5 (licht) en een factor 0,25.
6.Gelet op artikel 30a, tweede lid van de Wet WOZ.