Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het rijden op het fietspad op de Nieuwlandstraat te Tilburg op 23 februari 2023. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Betrokkene ging vervolgens in beroep bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting was geen vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie aanwezig; de kantonrechter nam geen kennis van de persoonlijke aantekeningen van de zittingsvertegenwoordiger. Betrokkene en zijn gemachtigde waren eveneens afwezig. De kantonrechter oordeelde dat de hoorplicht door de officier van justitie was geschonden, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot vernietiging van diens beslissing.
Inhoudelijk werd vastgesteld dat de gedraging waarvoor de boete werd opgelegd, voldoende was bewezen door de verklaring van de verbalisant en de schouwrapporten die de deugdelijke bebording bevestigen. De boete werd daarom terecht opgelegd. De kantonrechter matigde de boete met 25% vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting, die meer dan twee jaar bedroeg.
Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €467 toegekend voor de kosten in de fase van het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag van €37,50 terug te betalen aan betrokkene. De uitspraak werd op 26 februari 2026 in het openbaar gedaan door kantonrechter M.A.V. van Aardenne.
Uitkomst: Beroep gegrond wegens schending hoorplicht, boete met 25% gematigd wegens termijnoverschrijding en proceskostenvergoeding toegekend.