Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het overtreden van een geslotenverklaring (bord C2 RVV 1990) op de Veldhovenring te Tilburg op 30 november 2022. Betrokkene stelde dat onduidelijk was waar de geslotenverklaring van toepassing was en dat de BOA niet bevoegd was om te handhaven. Tevens werd een schending van de hoorplicht aangevoerd.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting was geen vertegenwoordiger van het OM aanwezig; de kantonrechter nam geen kennis van persoonlijke aantekeningen van het CVOM. Betrokkene en zijn gemachtigde waren eveneens afwezig.
De kantonrechter oordeelde dat de hoorplicht was geschonden omdat betrokkene en zijn gemachtigde niet in de gelegenheid waren gesteld te worden gehoord, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie. Inhoudelijk was de overtreding bewezen op basis van de verklaring van de verbalisant. De betwisting van de bevoegdheid van de BOA was onvoldoende om twijfel te zaaien.
De redelijke termijn van behandeling was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €467 toegekend voor de fase waarin de termijn was overschreden. De officier van justitie werd veroordeeld tot terugbetaling van €37,50 aan betrokkene.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard, de boete met 25% gematigd en een proceskostenvergoeding toegekend.