Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Spoorlaan te Tilburg op 2 december 2022. Betrokkene stelde dat de telefoon altijd in een houder zat en ontkende de gedraging. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting was de officier van justitie niet aanwezig en werden persoonlijke aantekeningen van de zittingsvertegenwoordiger niet als standpunt geaccepteerd. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs vormde en dat de ontkenning onvoldoende was om daaraan te twijfelen. De boete was dus terecht opgelegd.
Echter, de kantonrechter constateerde dat de redelijke termijn van behandeling was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten in de fase van het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.