Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1891

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11560569 MB VERZ 25-304
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 20 mei 2023 in Breda. Betrokkene stelde dat hij niet reed terwijl hij het apparaat vasthield en dat hij was afgestapt voordat hij de telefoon pakte. Tevens was er een klacht ingediend tegen twee handhavers, deels gegrond bevonden en in onderzoek bij de ombudsman.

De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, steunde op de verklaring van twee verbalisanten die bevestigden dat betrokkene het apparaat vasthield tijdens het rijden. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisanten voldoende bewijs vormt en dat betrokkene onvoldoende feiten aanvoerde om hieraan te twijfelen.

Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling van de zaak was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen. De beslissing van de officier van justitie werd aldus gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11560569 \ MB VERZ 25-304
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 3 maart 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. R. Baltus (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Park Valkenberg (richting Catharinastraat) te Breda op 20 mei 2023 om 01:34 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt een klacht te hebben ingediend tegen het gedrag van twee van de vier handhavers. Betrokkene heeft de situatie gefilmd en was daarbij afgestapt, waarna pas de telefoon werd gepakt. De klacht is deels gegrond bevonden en word ook door de commissie ombudsman onderzocht. De boete is oneerlijk en onterecht.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Tegenover de ontkenning van betrokkene staat een verklaring van twee verbalisanten, waaruit volgt dat een mobiel elektronisch apparaat in de rechterhand tijdens het rijden is vastgehouden. Verder is niet aannemelijk geworden dat de gedraging niet is verricht. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring en waarneming van de verbalisant.
De boete is dus terecht opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 112,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 37,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: