Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere procesverloop
3.De (verdere) beoordeling
3.De beslissing
tot 8 september 2026 PRO FORMA.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak verzoekt de man de rechtbank om vast te stellen dat zijn minderjarige kind een gecombineerde geslachtsnaam krijgt, waarbij zijn naam wordt toegevoegd aan die van de moeder. De moeder weigert dit, waardoor partijen niet tot overeenstemming komen. De huidige wetgeving biedt geen mogelijkheid om een dergelijk geschil aan de rechter voor te leggen, aangezien wijziging van de geslachtsnaam alleen mogelijk is met instemming van beide ouders of via een verzoek aan De Koning.
De rechtbank constateert dat de vangnetbepaling in artikel 1:5 BW Pro, die bepaalt dat een kind bij gebrek aan gezamenlijke keuze de naam van één ouder draagt, mogelijk niet aansluit bij recente ontwikkelingen zoals de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG). De man stelt dat het ontbreken van een rechtsingang strijdig is met artikel 8 en Pro 14 EVRM en verwijst naar wetgeving in andere landen waar een neutraal vangnet geldt.
De vrouw betwist de ontvankelijkheid van het verzoek en voert aan dat de gezamenlijke keuzevrijheid centraal staat en niet afdwingbaar is via de rechter. De Raad voor de Kinderbescherming geeft aan dat een gecombineerde naam voor het kind mogelijk positief kan zijn, mits beide ouders dit uitdragen.
De rechtbank legt daarom zeven prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad, onder meer over de strijdigheid van de vangnetbepaling met het EVRM, discriminatie tussen ouders, en de mogelijkheid tot vervangende toestemming. Tot beantwoording hiervan wordt de beslissing aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en verzoekt de Hoge Raad prejudiciële vragen te beantwoorden over de wettelijke basis en EVRM-conformiteit van geschillen over gecombineerde geslachtsnamen.