ECLI:NL:PHR:2006:AU9239
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over wijziging geslachtsnaam na gerechtelijke vaststelling vaderschap en verdragsrechtelijke toetsing
Deze zaak betreft een geschil tussen de moeder en de vader van een minderjarig kind over de wijziging van de bij geboorte verkregen geslachtsnaam van de moeder naar die van de vader na gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
De rechtbank had bepaald dat het kind de geslachtsnaam van de vader zou dragen, maar het hof vernietigde deze beslissing en wees het verzoek af omdat de ouders niet gezamenlijk hadden verklaard dat het kind de naam van de vader zou krijgen. De moeder en bijzondere curator stelden dat deze wettelijke regeling in strijd was met het recht van het kind op respect voor zijn privéleven en discriminatoir was volgens het EVRM en het Kinderrechtenverdrag.
De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke regeling in art. 1:5 lid 2 BW Pro, die bepaalt dat het kind bij gebrek aan gezamenlijke verklaring de naam van de moeder behoudt, binnen de beoordelingsvrijheid van de wetgever valt en niet in strijd is met internationale verdragen. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het belang van het kind en de rechtszekerheid gediend worden met deze regeling.
De uitspraak benadrukt dat het recht van het kind op een naam wordt gewaarborgd, maar dat het recht op een specifieke geslachtsnaam niet aan het kind zelf toekomt indien het jonger is dan 16 jaar. De regeling voorkomt ook dat het kind zonder naam komt te zitten bij onenigheid tussen ouders. Hiermee blijft de keuzevrijheid van ouders centraal staan, en is er geen sprake van verboden discriminatie.
Uitkomst: Het beroep wordt verworpen en het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam wordt afgewezen.