ECLI:NL:RBZWB:2026:1911

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
24/8306, 24/8307, 24/8308, 24/8309
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aftrek onderhoudsverplichtingen pensioenuitkering niet-ingezetene

Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, heeft voor de jaren 2019 tot en met 2022 pensioenuitkeringen ontvangen van Stichting Pensioenfonds ABP en AOW-uitkeringen. Het heffingsrecht over het ABP-pensioen is aan Nederland toegewezen, terwijl Duitsland het heffingsrecht over de AOW-uitkering heeft. Belanghebbende betaalde jaarlijks €7.200 aan zijn ex-echtgenote als onderhoudsverplichting en verzocht om deze betalingen in aftrek te brengen op zijn Nederlandse belastbaar inkomen.

De inspecteur weigerde deze aftrek omdat de ex-echtgenote geen zelfstandig vermogensrecht heeft jegens het ABP en Nederland als bronstaat alleen aftrek verleent aan kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, wat belanghebbende niet is. De rechtbank bevestigt dat Nederland op grond van nationale wetgeving en Unierecht niet verplicht is deze aftrek toe te staan, omdat belanghebbende in Duitsland voldoende inkomen geniet en daar belasting betaalt.

De rechtbank overweegt dat het verschil in nationale regelgeving tussen Nederland en Duitsland geen strijd oplevert met het Unierecht. Ook acht de rechtbank de situatie niet zodanig dat Nederland verplicht is de aftrek toe te staan. De beroepen worden ongegrond verklaard, de aanslagen blijven in stand en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de weigering van aftrek van onderhoudsverplichtingen worden ongegrond verklaard en de aanslagen inkomstenbelasting 2019-2022 blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/8306, 24/8307, 24/8308, 24/8309
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Duitsland), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 oktober 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2019 t/m 2022 aanslagen in de inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van:
2019
€ 43.578
2020
€ 43.578
2021
€ 43.578
2022
€ 44.622
1.2.
Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 2 juli 2024, ontvangen door de inspecteur op 8 juli 2024, een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB 2019 t/m 2022 gedaan. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand ter zitting verschenen.
1.5.
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 14 januari 2026 naar het door belanghebbende opgegeven postadres [postadres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Aangezien uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 16 januari 2026 op dat adres is uitgereikt en voor ontvangst is getekend, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Feiten

2. Belanghebbende woonde in 2019 t/m 2022 in Duitsland.
2.1.
Belanghebbende heeft van Stichting Pensioenfonds ABP in totaal € 43.578 (2019), € 43.578 (2020), € 43.578 (2021) en € 44.622 (2022) ontvangen. Daarnaast heeft belanghebbende AOW-uitkeringen van in totaal € 13.746 (2019), € 14.090 (2020), € 14.441 (2021) en € 14.751 (2022) ontvangen.
2.2.
Het heffingsrecht over de pensioenuitkering van het ABP is toegewezen aan Nederland en het heffingsrecht over de AOW-uitkering is toegewezen aan Duitsland.
2.3.
In Duitsland bedraagt de te betalen belasting in de onderhavige jaren als volgt:
2019
€ 511
2020
€ 500
2021
€ 473
2022
€ 516
2.4.
Belanghebbende betaalt jaarlijks € 7.200 van zijn ontvangen pensioenuitkering aan zijn ex-echtgenote in Duitsland.
2.5.
Belanghebbende heeft een aangifte IB gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van:
2019
€ 43.578
2020
€ 43.578
2021
€ 43.578
2022
€ 44.622
2.6.
Belanghebbende heeft op 8 juli 2024 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB 2019 t/m 2022 gedaan. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om het aan zijn ex-echtgenote betaalde deel van de pensioenuitkering in aftrek te brengen op het belastbaar inkomen uit werk en woning.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aftrek van uitgaven wegens onderhoudsverplichtingen terecht is geweigerd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de aftrek van het aan de ex-echtgenote doorgestorte pensioen terecht is geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
De rechtbank verklaart de beroepen van belanghebbende ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

4. Belanghebbende stelt dat zijn ex-echtgenote aanspraak kon maken op een onderhoudsverplichting van € 7.200 per jaar. Volgens belanghebbende wordt aftrek in Duitsland geweigerd en dient hij de betaalde onderhoudsverplichtingen in Nederland in aftrek te kunnen brengen. Voorts is de betaalde onderhoudsverplichting volgens belanghebbende bij de ex-partner wel belast en moet daarom de onderhoudsverplichting in Nederland in aftrek worden toegestaan.
4.1.
De inspecteur stelt dat de ex-echtgenote van belanghebbende geen zelfstandig vermogensrecht heeft jegens het ABP en daarom het totale ABP-pensioen inkomen vormt voor belanghebbende. De inspecteur stelt voorts dat geen recht op aftrek bestaat van het doorgestorte pensioen vanwege het enkele feit dat het doorgestorte pensioen aan het in Nederland belastbare ABP-pensioen is gekoppeld. Volgens de inspecteur is het internationale uitgangspunt dat een persoonsgebonden aftrekpost in de woonstaat in aftrek moet worden gebracht. Nederland verleent aan belanghebbende als niet-inwoner slechts aftrek wanneer hij kwalificeert als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Daarvan is geen sprake. Ook uit de rechtstreekse toepassing van het Unierecht kan volgens de inspecteur geen gunstigere situatie voor belanghebbende volgen. De inspecteur stelt dat het in Duitsland genoten inkomen van belanghebbende ruim hoger is dan de aldaar geldende belastingvrije som en over dit inkomen belasting is verschuldigd.
4.2.
Partijen delen het standpunt dat belanghebbende op basis van de nationale wet geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Als gevolg daarvan houdt Nederland op grond van de nationale wet geen rekening met het aan de ex-echtgenote betaalde onderhoudsverplichting. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of belanghebbende zich bevindt in een zogenoemde
[naam 1]-situatie, als bedoeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, op grond waarvan Nederland niettemin gehouden is de aftrek van de betaalde onderhoudsverplichtingen toe te staan.
4.3.
De rechtbank overweegt dat uit de [naam 1] -rechtspraak volgt dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke- en gezinssituatie, in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in een andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke- en gezinssituatie. [1]
4.4.
In zo’n geval kan het onthouden – door die andere lidstaat (werkstaat) – van de bedoelde belastingvoordelen aan een niet-ingezetene wel discriminatie opleveren. De hiervoor vermelde omstandigheden waarin bedoelde uitzondering op de regel zich voordoet, zijn geen harde criteria. In het bijzonder is uit rechtspraak gebleken dat niet steeds een hard criterium is of het grootste deel van het belastbaar inkomen wordt verworven in de betrokken werkstaat. [2] Ook als dat laatste niet het geval is, kan onder omstandigheden de werkstaat toch gehouden zijn (gedeeltelijk) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen aan de niet-ingezetene. De nadruk ligt er dan vooral op of de niet-ingezetene weinig inkomsten geniet in zijn woonstaat. [3]
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier niet de situatie voor dat belanghebbende in het woonland (Duitsland) een zodanig gering inkomen geniet dat die staat hem niet de voordelen kan toekennen in verband met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren inkomensverklaringen en de aanslagen IB uit Duitsland overgelegd, waaruit volgt dat belanghebbende ieder jaar na aftrek van persoonlijke tegemoetkomingen belasting in Duitsland moet betalen. Voor belanghebbende geldt derhalve het uitgangspunt dat zijn woonland rekening kan houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie, zodat de bronstaat (in dit geval Nederland) hiertoe niet is gehouden. Dit betekent dat Nederland niet in strijd met het Unierecht handelt door onderhoudsverplichtingen niet in aftrek toe te staan.
4.6.
De stelling van belanghebbende dat Duitsland geen regeling kent die de aftrek van dergelijke onderhoudsverplichtingen zoals die van belanghebbende mogelijk maakt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook als die stelling juist is én als ervan wordt uitgegaan dat de onderhoudsverplichtingen van belanghebbende in Nederland wel in aftrek zouden kunnen komen, is sprake van een verschil in de nationale regelgeving tussen Nederland en Duitsland (dispariteit) en dat leidt op zichzelf niet tot strijdigheid met het Unierecht.
4.7.
De rechtbank overweegt tot slot dat door de Hoge Raad prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 45 VWEU Pro. Deze prejudiciële vragen zien op de situatie waarin een belastingplichtige in de woonstaat weliswaar inkomsten van betekenis heeft genoten die aldaar met inachtneming van de bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag mogen worden belast, maar deze inkomsten in absolute zin onvoldoende zijn om de in deze woonstaat geldende tegemoetkomingen volledig te kunnen benutten. De rechtbank acht deze situatie niet aan de orde, nu belanghebbende inkomsten geniet in Duitsland waarover belasting is verschuldigd en Duitsland rekening heeft kunnen houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende. De rechtbank ziet daarom geen reden de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen.
4.8.
Gelet op bovenstaande heeft de inspecteur de aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen terecht geweigerd. Voor het overige zijn de aanslagen niet bestreden.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB 2019 t/m 2022 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet vergoed. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. de zaak [naam 1] , C279/93, EU:C:1995:31, punten 34 en 36, en r.o. 2.3.2. HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1722.
2.Vgl. de conclusie van [naam 2] met nummer ECLI:NL:PHR:2015:2449 en de daarin aangehaalde jurisprudentie alsmede HvJ 9 februari 2017, zaak X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102.
3.Vgl. de zaak X, C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102, punt 39.