ECLI:NL:RBZWB:2026:1942

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/1972
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 WWArt. 6:22 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel verlaging WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een geschil over een maatregel van het UWV waarbij de WW-uitkering van eiser met 50% werd verlaagd wegens verwijtbare werkloosheid. Eiser betwist dat hij zelf ontslag heeft genomen en stelt dat hij op 20 oktober 2024 is weggestuurd na een ruzie op de werkvloer. Het UWV baseert de maatregel op verklaringen van eiser en zijn werkgever waarin staat dat eiser zelf ontslag nam.

De rechtbank stelt vast dat het UWV terecht uitgaat van verwijtbare werkloosheid omdat eiser zelf het initiatief tot ontslag heeft genomen en dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. Hoewel het UWV in het bestreden besluit niet expliciet heeft gemotiveerd of voortzetting redelijkerwijs kon worden verlangd, wordt dit gebrek gepasseerd omdat het UWV dit ter zitting overtuigend heeft toegelicht.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft gekozen voor een maatregel van 50% verlaging wegens verminderde verwijtbaarheid, mede omdat de werkgever eiser na ontslag de toegang tot de werkplek heeft ontzegd. Wel wordt het bestreden besluit vernietigd voor zover het slechts één procespunt toekent voor de proceskostenvergoeding in bezwaar; de rechtbank bepaalt dat twee punten moeten worden toegekend, wat leidt tot een hogere vergoeding van €1.294,-. Daarnaast moet het UWV het griffierecht en proceskosten in beroep vergoeden.

Uitkomst: De maatregel van 50% verlaging van de WW-uitkering is terecht, maar het besluit over de proceskostenvergoeding in bezwaar wordt vernietigd en aangepast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1972

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over een besluit van het UWV over eisers aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.1
Het UWV heeft eisers aanvraag voor een WW-uitkering in een besluit van 4 november 2024 (primair besluit) afgewezen.
1.2.
Het UWV heeft in het bestreden besluit van 20 februari 2025 eisers bezwaren tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, en aan eiser een WW-uitkering toegekend en daarbij een maatregel opgelegd inhoudende dat de uitkering wordt verlaagd met 50%.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Beide partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en procesverloop
2. Eiser was vanaf 1 mei 2024 op basis van een oproepovereenkomst voor 0 uur werkzaam bij [werkgever] (de werkgever). Eiser heeft op 24 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering omdat hij per 20 oktober 2024 geen werk meer had. Deze aanvraag heeft geleid tot de besluitvorming die is weergegeven in de inleiding.
Het standpunt van het UWV
3. Volgens het UWV is bij de aan eiser toegekende WW-uitkering terecht een maatregel opgelegd van verlaging van de uitkering met 50%. Het UWV stelt dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden, omdat hij zelf ontslag heeft genomen. Het UWV baseert zich daarbij op een verklaring van eiser van 25 oktober 2024 tegenover een medewerker van het UWV, inhoudende dat hij ontslag heeft genomen na een ruzie met een collega. Deze verklaring komt overeen met de verklaring van de werkgever van 4 november 2024. Volgens het UWV is wel sprake van verminderde verwijtbaarheid, omdat eiser na het ontslag heeft geprobeerd om weer te gaan werken bij de werkgever.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat de opgelegde maatregel niet expliciet in het bestreden besluit is opgenomen. Zij leest dit besluit echter in samenhang met het voornemen tot wijziging van het primaire besluit van 3 februari 2025, waarin de maatregel wel duidelijk is vermeld. Partijen hebben ter zitting desgevraagd gesteld het bestreden besluit ook zo te lezen.
Eisers standpunt
4. Volgens eiser heeft het UWV hem ten onrechte een maatregel opgelegd. Hij betwist dat hij zelf ontslag heeft genomen bij de werkgever, en stelt onder verwijzing naar enkele bewijsstukken dat hij op 20 oktober 2024 is weggestuurd na een ruzie op de werkvloer. Eiser voert verder aan dat hij bij het gesprek met de medewerker van het UWV niet heeft verklaard dat hij zelf ontslag heeft genomen, en dat de verklaring zoals opgetekend in de memo van het UWV van 25 oktober 2024 niet overeenkomt met wat hij daadwerkelijk heeft verklaard. Deze is ook niet aan hem voorgehouden ter controle. Eiser betwist verder dat voortzetting van de arbeidsrelatie redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. Hij stelt tot slot dat het UWV de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase op onjuiste wijze heeft vastgesteld, nu ten onrechte geen twee punten zijn toegekend voor het indienen van een bezwaarschrift en de telefonische hoorzitting.
Relevante wet- en regelgeving
5. De relevante wet- en regelgeving in deze zaak is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Waar gaat deze zaak over?
6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het UWV eiser een maatregel mocht opleggen van verlaging van de uitkering met 50%. Daarvoor is met name van belang of sprake is van verwijtbare werkloosheid. Verder is in geschil of het UWV de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase op juiste wijze heeft vastgesteld.
Mocht het UWV eiser de bestreden maatregel opleggen?
7. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. In paragraaf 1 van de 'Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006' (de beleidsregels) is opgenomen dat indien na onderzoek door het UWV onduidelijk blijft of werkgever dan wel werknemer het initiatief heeft genomen, het UWV ervan uitgaat dat het initiatief aan de kant van de werkgever ligt. Indien de werknemer het initiatief neemt tot beëindiging van de dienstbetrekking zal beoordeeld worden of voortzetting van de dienstbetrekking van de werknemer te vergen is geweest. Als dit het geval is, dan is in beginsel sprake van verwijtbare werkloosheid.
7.1.
Uit de in het dossier opgenomen verslagen van telefoongesprekken die het UWV op 25 oktober 2024 met eiser en op 4 november 2024 met de werkgever heeft gevoerd, volgt duidelijk dat eiser zelf ontslag heeft genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verslagen te twijfelen. De relevante wet- en regelgeving en de rechtspraak schrijven – anders dan eiser kennelijk meent – niet voor dat het UWV zich pas op verklaringen tegenover zijn medewerkers mag baseren als de betrokkene vooraf de gelegenheid heeft gehad daarop te reageren. Eiser heeft twee verklaringen van oud-collega’s overgelegd, waarin zij stellen dat de werkgever eiser heeft ontslagen. Het gaat om een schermafbeelding van een WhatsAppgesprek en een transcript van een telefoongesprek. De rechtbank kent hieraan niet de waarde toe die eiser daaraan hecht, omdat de verklaringen op geen enkele wijze kunnen worden geverifieerd. Bovendien zijn zij onvoldoende gedetailleerd en specifiek om de inhoud van de gespreksverslagen van het UWV in twijfel te trekken. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn ter zitting geponeerde stelling dat de werkgever hem in het kader van een schikking een maandloon heeft uitbetaald wegens het niet naleven van de opzegtermijn. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd en het UWV heeft dit punt gemotiveerd betwist.
7.2
De rechtbank constateert dat het UWV in het bestreden besluit niet kenbaar heeft getoetst aan het tweede deelcriterium voor het aannemen van verwijtbare werkloosheid, namelijk of voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van eiser kon worden gevergd. Hiermee is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank wijst bij dit punt op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), [1] die voorschrijft dat de beoordeling of iemand verwijtbaar werkloos is geworden een materiële beoordeling vereist. Het UWV heeft ter zitting alsnog voldoende overtuigend gemotiveerd dat ten tijde van het ontslag geen sprake was van omstandigheden die maken dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van eiser kon worden gevergd. De rechtbank kent geen overwegend gewicht toe aan de ter zitting namens eiser gestelde omstandigheid dat de werkgever eiser na het ontslag een terras- en restaurantverbod heeft opgelegd, omdat daar op het moment van het ontslag nog geen sprake van was (maar pas tijdens de nasleep ervan). De rechtbank ziet gezien het voorgaande aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser is niet benadeeld door het gebrek. Ook als het gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
7.3.
Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW brengt het UWV bij verwijtbare werkloosheid een bedrag blijvend op de uitkering in mindering. Indien het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten, wordt de helft van het bedrag in mindering gebracht. Het UWV heeft in de omstandigheden van dit geval aanleiding gezien om uit te gaan van verminderde verwijtbaarheid. Daarbij heeft het UWV van belang geacht dat de werkgever eiser na diens ontslagname de toegang tot de werkplek heeft ontzegd en hem, ondanks zijn poging om zijn werkzaamheden te hervatten, niet meer tot het werk heeft toegelaten. De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Niet is gebleken dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in paragraaf 7 van de beleidsregels. De rechtbank acht de opgelegde maatregel daarom terecht.
Is de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase correct vastgesteld?
8. De rechtbank stelt vast dat eisers gemachtigde een bezwaarschrift en een aanvullend bezwaarschrift heeft ingediend. Daarnaast heeft een (telefonische) hoorzitting plaatsgevonden. Omdat het UWV in het bestreden besluit eisers bezwaren tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, had het UWV voor de bezwaarprocedure twee procespunten moeten toekennen (één voor de bezwaarschriften en één voor de hoorzitting), zoals ook erkend door het UWV ter zitting. In het bestreden besluit is echter slechts één procespunt toegekend. Dit betekent dat deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie
9. Gelet op het gebrek zoals genoemd in rechtsoverweging 8 is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij slechts één procespunt is toegekend voor de te vergoeden proceskosten in de bezwaarfase. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat voor de bezwaarfase twee procespunten moeten worden toegekend, waardoor de totale proceskostenvergoeding in bezwaar € 1.294,- bedraagt. Aangezien ter zitting is gebleken dat het UWV al uitvoering heeft gegeven aan de proceskostenvergoeding zoals die was vastgesteld in bezwaar, betekent dit in de praktijk dat het UWV dan alsnog het tweede procespunt, met een waarde van € 647,-, zal moeten vergoeden. In zoverre treedt deze uitspraak in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Voor overige blijft het bestreden besluit in stand.
10. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat eisers gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin slechts één procespunt is toegekend voor de te vergoeden proceskosten in de bezwaarfase;
- bepaalt dat de proceskostenvergoeding in bezwaar € 1.294,- bedraagt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € € 1.868,- aan proceskosten in beroep aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 17 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Werkloosheidswet (WW)
Artikel 24, eerste lid onder a bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt.
Volgens artikel 24, tweede lid onder b van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
Op grond van artikel 27, eerste lid van de WW brengt het UWV een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het UWV de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.
In artikel 27, achtste lid van de WW is vastgelegd dat het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006
In paragraaf 1 van de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 is het volgende opgenomen:
"Eindiging van de dienstbetrekking op initiatief werkgever of werknemer en beoordeling arbeidsrechtelijke dringende reden
(…)
Indien na onderzoek door UWV onduidelijk blijft of werkgever dan wel werknemer het initiatief heeft genomen, gaat UWV er vanuit dat het initiatief aan de kant van de werkgever ligt. Wanneer de werknemer het initiatief neemt tot beëindiging van de dienstbetrekking zal beoordeeld worden of voortzetting van de dienstbetrekking van de werknemer te vergen is geweest. Indien dit het geval is, dan is er in beginsel sprake van verwijtbare werkloosheid op grond van artikel 24, tweede lid, onder b, WW. Ten opzichte van de beoordeling vóór 1 oktober 2006 verandert hierin niets".
In paragraaf 6 van de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en 27 WW 2006 is het volgende opgenomen om te bepalen of verwijtbaar gedrag niet in overwegende mate aan de werknemer te wijten is:
"Wanneer de werkloosheid veroorzaakt wordt doordat de werknemer de werkzaamheden en/of de dienstbetrekking heeft beëindigd dan wel de werkgever daartoe heeft verzocht, worden de volgende weegfactoren toegepast:
- was er sprake van een acute noodzaak voor de eindiging van de dienstbetrekking en/of de werkzaamheden;
- waren er reële en begrijpelijke bezwaren tegen voortzetting van de dienstbetrekking en/of de werkzaamheden die niet binnen redelijke termijn waren op te lossen, terwijl er geen acute noodzaak voor beëindiging van de dienstbetrekking en/of de werkzaamheden aanwezig was".
In paragraaf 7 van de Beleidsregels (Duur van de maatregel bij niet-verwijtbare eindiging van de dienstbetrekking binnen 3 maanden na een verwijtbare eindiging) is nog opgenomen:
"De hoofdregel is dat bij verwijtbare werkloosheid door UWV een blijvend gehele weigering wordt opgelegd of een verlaging van de uitkering tot 35% gedurende (maximaal) 26 weken (bij verminderde verwijtbaarheid). Op deze hoofdregel wordt één uitzondering gemaakt. Die uitzondering geldt voor situaties waarin weliswaar sprake is van verwijtbare werkloosheid, maar tevens vaststaat dat het dienstbetrekking binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd. In dat geval wordt door UWV een maatregel wegens benadeling opgelegd voor de duur van de periode dat de werknemer nog in dienst had kunnen zijn".
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Ingevolge artikel 6:22 van Pro de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Op grond van artikel 7:15, tweede lid van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Het derde lid van artikel 7:15 van Pro de Awb schrijft voor dat het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar. Het vierde lid bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
Besluit proceskosten bestuursrecht
Volgens artikel 1, onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Artikel A1 van de Bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht stelt vast dat voor het indienen van een beroepschrift 1 punt wordt toegekend, en voor het verschijnen bij een zitting eveneens 1 punt.
In artikel A5 van de Bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht is bepaald dat voor het indienen van een bezwaarschrift 1 punt wordt toegekend, en voor het verschijnen bij een hoorzitting eveneens 1 punt.
In artikel B van de Bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht zijn de waarden van de punten vastgelegd.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:555.