Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Inleiding
Overwegingen
Het standpunt van het UWV
Conclusie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een geschil over een maatregel van het UWV waarbij de WW-uitkering van eiser met 50% werd verlaagd wegens verwijtbare werkloosheid. Eiser betwist dat hij zelf ontslag heeft genomen en stelt dat hij op 20 oktober 2024 is weggestuurd na een ruzie op de werkvloer. Het UWV baseert de maatregel op verklaringen van eiser en zijn werkgever waarin staat dat eiser zelf ontslag nam.
De rechtbank stelt vast dat het UWV terecht uitgaat van verwijtbare werkloosheid omdat eiser zelf het initiatief tot ontslag heeft genomen en dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. Hoewel het UWV in het bestreden besluit niet expliciet heeft gemotiveerd of voortzetting redelijkerwijs kon worden verlangd, wordt dit gebrek gepasseerd omdat het UWV dit ter zitting overtuigend heeft toegelicht.
De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft gekozen voor een maatregel van 50% verlaging wegens verminderde verwijtbaarheid, mede omdat de werkgever eiser na ontslag de toegang tot de werkplek heeft ontzegd. Wel wordt het bestreden besluit vernietigd voor zover het slechts één procespunt toekent voor de proceskostenvergoeding in bezwaar; de rechtbank bepaalt dat twee punten moeten worden toegekend, wat leidt tot een hogere vergoeding van €1.294,-. Daarnaast moet het UWV het griffierecht en proceskosten in beroep vergoeden.
Uitkomst: De maatregel van 50% verlaging van de WW-uitkering is terecht, maar het besluit over de proceskostenvergoeding in bezwaar wordt vernietigd en aangepast.