ECLI:NL:CRVB:2024:555
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WW-uitkering na beëindiging dienstbetrekking gemeente
Betrokkene was sinds 1974 werkzaam bij de gemeente Voorst en viel in november 2017 ziek uit. Na re-integratiegesprekken werd in november 2018 een vertrekregeling getroffen, waarbij betrokkene per 1 november 2020 eervol ontslag kreeg verleend op eigen verzoek. Betrokkene vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd toegekend en uitbetaald.
Het college van burgemeester en wethouders van Voorst stelde dat betrokkene verwijtbaar werkloos was geworden omdat zij vrijwillig instemde met het ontslag, en vorderde terugbetaling van de WW-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van het college ongegrond en handhaafde het besluit van het Uwv.
In hoger beroep betoogde het college dat betrokkene vrijwillig werkloos was geworden door instemming met de vaststellingsovereenkomst. De Raad oordeelde dat het college het initiatief had genomen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat medewerking van betrokkene aan de regeling dit niet veranderde. Er was geen sprake van verwijtbare werkloosheid.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek om vergoeding van schade af. De WW-uitkering was terecht toegekend en uitbetaald, en terugbetaling was niet aan de orde.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht toegekend en uitbetaald; het hoger beroep van het college wordt afgewezen.