AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit maatregel te late aanvraag bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie
Eiser, voormalig politieambtenaar, diende ruim een jaar na zijn ontslag een aanvraag in voor een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BWW). De korpschef legde daarop een maatregel op waarbij de uitkering voor een deel werd geweigerd en verlaagd, met een volledige weigering (100%) voor de eerste periode en een verlaging van 20% daarna. De rechtbank oordeelt dat de korpschef ten onrechte artikel 35 vanPro de WW toepaste voor de 100% maatregel, aangezien dit artikel niet van toepassing is op de BWW-uitkering. De maximale maatregel mag volgens de geldende regelgeving 20% bedragen en voor maximaal drie maanden.
De rechtbank stelt vast dat eiser recht heeft op de BWW-uitkering, maar de aanvraag te laat heeft ingediend. De korpschef had de maatregel correct moeten baseren op artikel 27, derde lid, van de WW en het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, waarbij een maximale verlaging van 20% voor drie maanden passend is. De rechtbank wijst het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel af, omdat eiser zelf verantwoordelijk is voor tijdige aanvraag en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij onjuist is geïnformeerd.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de korpschef op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, rekening houdend met de juiste wettelijke grondslagen en de maximale maatregel. Tevens wordt de korpschef veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en reiskosten van eiser.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de korpschef wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een maatregel van maximaal 20% voor drie maanden.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4107 WW
uitspraak van 17 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
de korpschef van politie (de korpschef), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen een besluit van de korpschef over de toekenning van een bovenwettelijke uitkering voor politiepersoneel (BWW-uitkering) op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie (Bbwp), als aanvulling op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.1.
De korpschef heeft in een besluit van 15 mei 2025 (primair besluit) aan eiser een BWW-uitkering toegekend over de periode van 5 februari 2024 tot en met 25 mei 2035. Op grond van artikel 4 vanPro het Bbwp wordt de WW-uitkering gedurende de eerste twee maanden aangevuld tot 85% van het dagloon, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%, vervolgens gedurende zes maanden tot 75% en daarna tot 70%. Omdat eiser zijn aanvraag ruim een jaar na zijn ontslag bij de politie heeft ingediend, heeft de korpschef een maatregel opgelegd. De uitkering is over de periode van 5 februari 2024 tot en met 19 september 2024 volledig (100%) geweigerd op grond van artikel 35 vanPro de WW. Over de periode van 20 september 2024 tot en met 19 maart 2025 is de uitkering met 20% verlaagd op grond van artikel 2 vanPro het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.
1.2.
De korpschef heeft in het bestreden besluit van 10 juli 2025 eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft eisers beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De korpschef werd vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
Overwegingen
Relevante feiten en omstandigheden
2. Eiser was sinds 1 december 2003 in dienst is bij de politie. Hij heeft zich op 28 januari 2020 ziek gemeld. Bij besluit van 29 maart 2022 heeft het UWV vastgesteld dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, zodat geen aanspraak is ontstaan op een WIA-uitkering. Ondanks re-integratie-inspanningen is herplaatsing bij de korpschef niet mogelijk gebleken. Eiser en de korpschef hebben vervolgens een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten, waarin zij zijn overeengekomen dat aan eiser met ingang van 5 februari 2024 eervol ontslag wordt verleend. Eiser heeft op 20 maart 2025 bij de korpschef een BWW-uitkering aangevraagd, die heeft geleid tot de besluitvorming zoals vermeld in de inleiding.
Standpunt van de korpschef
3. De korpschef stelt dat hij eiser een maatregel mocht opleggen, omdat eiser de aanvraag voor een BWW-uitkering ruim een jaar na de ontslagdatum heeft ingediend, terwijl deze uitkering slechts op aanvraag kan worden toegekend. Volgens de korpschef volgt dit ook uit de vso, waaruit blijkt dat een WW-uitkering bij het UWV moet worden aangevraagd en een BWW-uitkering bij Visma Idella. Eiser was zich hiervan bewust, nu hij wel tijdig een WW-aanvraag heeft ingediend. Volgens de korpschef heeft eisers casemanager geen onvolledige of onjuiste uitspraken gedaan over het indienen van een BWW-aanvraag. Verder stelt de korpschef dat de maatregel niet onevenredig is, gelet op de aanzienlijke overschrijding van de aanvraagtermijn en het feit dat eiser pas laat heeft gesteld dat sprake was van belemmeringen voor het tijdig indienen van de aanvraag. Tot slot stelt de korpschef dat de maatregel passend en proportioneel is.
3.1.
De korpschef heeft ter zitting erkend dat sprake is van een tweetal gebreken in zijn besluitvorming. Hij heeft ten onrechte artikel 35 vanPro de WW toegepast om een maatregel van 100% op te leggen. Volgens de korpschef heeft dit tot gevolg dat enkel een maatregel van 20% mag worden opgelegd. Verder heeft de korpschef de maatregel in zijn berekening ten onrechte toegepast op het volledige uitkeringsbedrag inclusief WW, in plaats van over het bedrag van de (aanvullende) BWW-uitkering.
Eisers standpunt
4. Eiser stelt dat de korpschef hem ten onrechte een maatregel heeft opgelegd. Hij voert aan dat de korpschef onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke situatie en heeft nagelaten om maatwerk te leveren. Volgens eiser heeft zijn vaste casemanager hem bij de WW-aanvraag niet gewezen op de mogelijkheid en de voorwaarden van een bovenwettelijke uitkering, terwijl zij daar wel kennis van had en inzage had in zijn uitkeringssituatie. Ook nadat de bovenwettelijke uitkering ongeveer een jaar later ter sprake kwam, is eiser naar eigen zeggen onjuist geïnformeerd. De casemanager zou hebben aangegeven dat de aanvraag uiterlijk vóór het einde van de WW-uitkering moest worden ingediend, terwijl zij wist dat een latere aanvraag zou leiden tot het opleggen van een maatregel en daarmee tot het verlies van aanspraken over een langere periode. Tot slot stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Door zijn ontslag is hij reeds in inkomen achteruitgegaan en het onthouden van de bovenwettelijke uitkering heeft volgens hem geleid tot een onevenredig zware financiële last.
Relevante wet- en regelgeving
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Waar gaat het in deze zaak (niet) over?
6. Niet in geschil is dat eiser recht heeft op een BWW-uitkering, maar dat hij hiervoor te laat een aanvraag heeft ingediend. Eiser heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 26, eerste lid, van de WW. De vraag is of korpschef bij het opleggen van de maategel een correcte wettelijke grondslag heeft gehanteerd, en of de duur, hoogte en ingangsdatum van de maatregel correct zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich verder toe op de vraag of de korpschef geheel had moeten afzien van het opleggen van een maatregel, dan wel de maatregel had moeten verlagen. Tot slot is het de vraag of het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden.
De gehanteerde grondslag van de maatregel
7. De korpschef heeft voor periode van 5 februari 2024 tot en met 19 maart 2024 een maatregel van 100% opgelegd op grond van artikel 35 vanPro de WW. In artikel 3, tweede lid, van het Bbwp (de schakelbepaling) is artikel 35 vanPro de WW echter niet van toepassing verklaard op de aanvullende BWW-uitkering. De maatregel is voor deze periode daarom gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag, en kan daarom niet standhouden. De korpschef heeft dit ter zitting ook erkend.
7.1.
Voor de periode van 20 september 2024 tot en met 19 maart 2025 heeft de korpschef een maatregel van 20% opgelegd, omdat eiser door zijn BWW-aanvraag niet tijdig in te dienen niet heeft voldaan aan de verplichting in artikel 26, eerste lid, onder b, van de WW. Op grond van artikel 27, derde lid, van de WW (welk artikel wel wordt genoemd in de schakelbepaling) is de korpschef bevoegd en in beginsel verplicht om de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk te weigeren als deze verplichting niet wordt nagekomen. De korpschef was wel bevoegd om op basis van deze grondslag aan eiser een maatregel op te leggen.
De hoogte van de maatregel
8. Volgens artikel 3, onder a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten valt het niet tijdig aanvragen van een uitkering als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder b, van de WW onder de eerste categorie. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, van dat besluit wordt bij verplichtingen uit de eerste categorie een maatregel vastgesteld van 5% van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid tot afwijking tot ten minste 2% of ten hoogste 20%. De maatregel kan daarom maximaal 20% bedragen. Dit percentage kan enkel worden toegepast op eisers aanvullende BWW-uitkering, zoals ter zitting ook door de korpschef is erkend.
De duur en ingangsdatum van de maatregel
9. De rechtbank stelt vast dat de Beleidsregel maatregelen UWV (de Beleidsregel) is gekoppeld aan de bepalingen in de WW die via de schakelbepaling van toepassing zijn verklaard op de aanvullende BWW-uitkering. De korpschef heeft ter zitting erkend dat het beleid van het UWV in dit geval moet worden gevolgd. Op grond van artikel 5 vanPro de Beleidsregel wordt de duur van de maatregel (ter hoogte van 20%) vastgesteld op drie maanden als de termijnoverschrijding groter is dan 180 kalenderdagen. De door de korpschef opgelegde maatregel heeft echter een langere duur. De maatregel kan daarom ook niet in stand blijven voor zover deze zich uitstrekt over een periode van meer dan drie maanden. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de maatregel ingaat op de startdatum van de uitkering. Als de maatregel pas op een later moment zou ingaan (bijvoorbeeld vanaf drie maanden voorafgaand aan de (te late) aanvraag), zou een aanvrager voordeel kunnen behalen door (nog) langer te wachten met het indienen van de aanvraag, waardoor de maatregel feitelijk zijn effect zou verliezen.
Tussenconclusie
10. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de korpschef aan eiser enkel een maatregel mocht opleggen op basis van artikel 27, derde lid, van de WW. Eisers aanvullende BWW-uitkering mocht maximaal worden verlaagd met een bedrag ter hoogte van 20% van die uitkering, voor een maximale duur van drie maanden. Het bestreden besluit is reeds hierom niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
Waren er redenen om van de maatregel af te zien, dan wel de maatregel te verlagen?
11. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel wordt het percentage van een maatregel verlaagd of verhoogd als de ernst of verwijtbaarheid van het niet naleven van de verplichting daartoe aanleiding geeft. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de korpschef had moeten afzien van het opleggen van een maatregel of dat hij deze had moeten verlagen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de verantwoordelijkheid voor het tijdig indienen van een aanvraag in beginsel bij de aanvrager zelf berust, en dat voor iedere uitkering een afzonderlijke aanvraag moet worden ingediend [1] . Uit de vso van 24 augustus 2023 alsmede de in dat kader opgestelde berekening volgt duidelijk dat er sprake is van twee naast elkaar bestaande uitkeringsrechten: WW en (aanvullende) BWW, waarbij geldt dat het recht op een WW-uitkering wordt beoordeeld door het UWV en het recht op een BWW-uitkering door Visma Idella. Eiser had zich daarom bewust kunnen en moeten zijn van de noodzaak om zelf een afzonderlijke BWW-aanvraag in te dienen. Anders dan eiser kennelijk meent, rustte op de korpschef ook geen verplichting om eiser vooraf actief te informeren over het belang van het tijdig indienen van een BWW-aanvraag. De rechtbank heeft begrip voor de door eiser gestelde persoonlijke omstandigheden, waaronder verschillende overlijdensgevallen in zijn directe familie en een scheiding, maar gesteld noch gebleken is dat eiser in de eerste week na het intreden van zijn werkloosheid in het geheel niet in staat is geweest om tijdig een aanvraag in te dienen of om telefonisch contact op te (laten) nemen met de korpschef en/of Visma Idella. Gezien het voorgaande had de korpschef geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van een maatregel, dan wel om het percentage van de maatregel van 20% te matigen.
Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel
12. Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Het op tijd aanvragen van een (B)WW-uitkering is een termijngebonden verplichting waarbij op grond van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregel niet kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel als de termijnoverschrijding groter is dan 14 kalenderdagen. Aangezien eiser zijn aanvraag ruim een jaar later en dus meer dan 14 kalenderdagen te laat heeft ingediend, heeft de korpschef terecht een maatregel opgelegd. Niet is gebleken dat de korpschef een aandeel heeft gehad in het ontstaan van de te late BWW-aanvraag. Eiser heeft wel gesteld dat hij door de bestreden besluitvorming financieel is getroffen, maar hij heeft dit niet nader onderbouwd. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser door het opleggen van de maatregel in zodanige financiële omstandigheden is komen te verkeren dat de gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot zijn belangen.
Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel
13. Eiser is ervan uitgegaan dat hij de aanvraag voor de BWW-uitkering op een later moment kon indienen en voert in dit kader aan dat de casemanager Sociale Zekerheid Politie hem niet of onjuist heeft geïnformeerd. Hiermee doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep hierop is volgens vaste rechtspraak vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat door een bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [2] Nog daargelaten of aan de door eiser overgelegde e-mail van de betrokken casemanager het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een BWW-uitkering later kan worden aangevraagd, geldt dat op het moment dat eiser de e-mail ontving al sprake was van een termijnoverschrijding van meer dan 180 kalenderdagen, zodat de maatregelwaardige gedraging toen al had plaatsgevonden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt reeds daarom niet.
Conclusie
14. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De korpschef heeft ter zitting bevestigd een nieuwe berekening te zullen maken en daarbij de beslispunten van deze uitspraak mee te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, maar volstaan met het vernietigen van het bestreden besluit. De korpschef zal worden opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, binnen een termijn van zes weken.
14.1
Omdat het beroep gegrond is moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden. Verder komt eiser op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking voor vergoeding van zijn reiskosten in verband met de zitting. De rechtbank stelt die kosten vast op de kosten van openbaar vervoer, en deze bedragen € 20,63.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de korpschef op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de korpschef tot betaling van € 20,63 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 17 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 3 vanPro het Bbwp - Recht op aanvullende uitkering
1. De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende uitkering niet eerder ingaat dan de dag waarop het ontslag in werking treedt.
2. Op de aanvullende uitkering zijn de artikelen 22 tot en met 33, 36 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
3. De artikelen 34, 35a en 35aa van de Werkloosheidswet zijn slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen.
Artikel 4 vanPro het Bbwp - Hoogte van de aanvullende uitkering
1. Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, ten minste gelijk is aan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de WW-uitkering gedurende de eerste twee maanden tot 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% van het voor de betrokkene geldende dagloon aangevuld.
3. Het UWV weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 4°, of vijfde lid, of 26, artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of artikel 28, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, dan wel ter zake van het niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 25.
(…)
6. Een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
7. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 25, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, of artikel 26, eerste lid, onderdeel b of d, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting, of het zich niet houden aan de voorschriften, plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
9. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27a wordt opgelegd.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het derde, vierde en zesde lid.
(…)
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
In artikel 1, onder a van het Maatregelenbesluit is de definitie van het begrip ‘maatregel’ vastgelegd: ‘’een besluit waarmee een uitkering op grond van een in onderdelen b tot en met m genoemde wet, onderscheidenlijk een remigratievoorziening op grond van de in onderdeel n genoemde wet, gedeeltelijk of geheel wordt onthouden wegens het niet naleven van een wettelijke verplichting.’’In onderdeel b is de Werkloosheidswet vermeld.
Volgens artikel 3, onder a van het Maatregelenbesluit valt het tijdig aanvragen van de uitkering, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder b van de WW, onder de eerste categorie.
Op grond van artikel 2, eerste lid onder a van het Maatregelenbesluit wordt bij verplichtingen uit de eerste categorie de hoogte en duur van een op te leggen maatregel vastgesteld op 5 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 2 procent of ten hoogste 20 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste een maand. De hoogte bedraagt ten minste € 25,-.
Beleidsregel maatregelen UWV
Artikel 3
1. Het percentage van de maatregel wordt verlaagd of verhoogd indien de verminderde of verhoogde ernst of verwijtbaarheid van het niet naleven van de verplichting daartoe aanleiding geven.
(…)
Artikel 4
1. Het UWV ziet af van het opleggen van een maatregel en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien wordt voldaan aan alle bij of krachtens de wet daaraan gestelde voorwaarden.
2. In afwijking van het eerste lid wordt bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting een maatregel opgelegd indien de termijnoverschrijding groter is dan veertien kalenderdagen. Indien in de periode van veertien kalenderdagen een of meer werkdagen voorkomen waarop de kantoren van het UWV gesloten zijn, wordt die periode met even zo veel werkdagen verlengd.
Artikel 5
1. Bij het niet naleven van een termijngebonden verplichting uit de eerste categorie wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld op 10 procent indien de termijnoverschrijding groter is dan 30 kalenderdagen maar niet groter dan 60 kalenderdagen, en op 20 procent indien de termijnoverschrijding groter is dan 60 kalenderdagen. Bovendien wordt de duur van de maatregel vastgesteld op twee maanden indien de termijnoverschrijding groter is dan 90 kalenderdagen maar niet groter dan 180 kalenderdagen, en op drie maanden indien de termijnoverschrijding groter is dan 180 kalenderdagen.
(…)
Voetnoten
1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4278.