ECLI:NL:CRVB:2017:4278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bijzondere omstandigheden voor terugwerkende IOAW-uitkering na ziekmelding vanuit WW
Appellant, die na afloop van zijn WW-uitkering ziek werd gemeld bij het UWV, vroeg een IOAW-uitkering aan met terugwerkende kracht vanaf het einde van zijn WW-uitkering. Het college kende de uitkering toe vanaf de datum van aanvraag, maar weigerde terugwerkende kracht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV hem onvoldoende had geïnformeerd over de gevolgen van zijn ziekmelding en de aanvraag van een IOAW-uitkering, en dat zijn medische situatie bijzondere omstandigheden vormde. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het UWV onjuiste informatie had verstrekt of dat hij door het ontbreken van informatie was afgehouden van tijdige aanvraag.
Verder stelde de Raad dat een ziekmelding niet gelijkstaat aan een aanvraag voor IOAW en dat de IOAW geen uitsluitingsgrond kent voor het bestaan van een voorliggende voorziening zoals de Ziektewet. Ook ontbrak objectief medisch bewijs voor belemmering bij het indienen van de aanvraag. Daarom is geen sprake van bijzondere omstandigheden die toekenning met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de IOAW-uitkering wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.