Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1991

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/2797
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbWet arbeid vreemdelingenBeleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete Wet arbeid vreemdelingen gematigd wegens verminderde verwijtbaarheid en termijnoverschrijding

Trinseo Netherlands B.V. kreeg op 4 december 2023 een boete van €8.000,- opgelegd wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Na bezwaar matigde de minister de boete op 3 april 2025 naar €1.750,-. Trinseo stelde beroep in tegen deze beslissing.

De rechtbank oordeelde dat de overtreding onbetwist was en dat de minister bevoegd was de boete op te leggen. De verwijtbaarheid werd als verminderd beoordeeld omdat de fout door een HR-medewerker was gemaakt ondanks genomen preventieve maatregelen. Dit leidde tot een boete van 25% van het normbedrag, met een verdere matiging van 12,5% wegens aanvullende maatregelen na de overtreding.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden, wat een extra matiging van 5% rechtvaardigde. Hierdoor werd de boete vastgesteld op €1.662,50. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde zelf de boete. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De boete voor overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt gematigd tot €1.662,50 wegens verminderde verwijtbaarheid en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2797 WAV
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

Trinseo Netherlands B.V., uit Hoek, eiseres

(gemachtigde: mr. R.A.M. Blaakman),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de opgelegde boete voor een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
2. Op 4 december 2023 heeft de minister aan eiseres een boete van € 8.000,- opgelegd. Met het bestreden besluit van 3 april 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de boete gematigd naar € 1.750,-.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (vertegenwoordigd door [persoon] ), de gemachtigde van eiseres en mr. M.M. de Lange namens de minister.
2.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister aan eiseres een boete mocht opleggen en of de hoogte van de boete goed is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De boete is terecht opgelegd, maar moet gematigd worden vanwege een overschrijding van de redelijke termijn
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is geweest van een overtreding van de Wav. De minister is daarom in beginsel bevoegd om een boete op te leggen.
5.1.
Bij het opleggen van de boete heeft de minister de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020 (Beleidsregel 2020) toegepast en daarbij de verwijtbaarheid gedifferentieerd conform de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 juli 2022 [1] . De rechtbank is van oordeel dat dit het juiste toetsingskader is. De ABRvS heeft namelijk de Beleidsregel 2020 niet onverbindend verklaard, maar alleen geoordeeld dat daarin ten aanzien van de verwijtbaarheid onvoldoende gedifferentieerd werd. Daarom heeft de ABRvS een eigen kader voor de verwijtbaarheid opgesteld. Dit betekent dat de minister de Beleidsregel 2020 mocht toepassen met de aanvulling van de ABRvS ten aanzien van de verwijtbaarheid. De rechtbank zal daarom de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2025 (Beleidsregel 2025) niet toetsen, nu deze niet is toegepast. Wel is terecht door de minister beoordeeld dat toepassing van de Beleidsregel 2025 geen gunstiger resultaat oplevert voor eiseres.
5.2.
Volgens de minister is sprake van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van eiseres. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is verwijtbaar handelen. De rechtbank stelt vast dat er inderdaad sprake is geweest van een menselijke fout, maar dat deze fout wel gemaakt is door een HR-medewerker en dat dit mag worden toegerekend aan eiser als werkgever. In beginsel is er daarom sprake van verwijtbaarheid. Er waren weliswaar uitgebreide maatregelen genomen door eiseres om overtreding van de Wav te voorkomen, maar toch is zij daarin niet geslaagd. De reeds genomen maatregelen hebben wel invloed op de mate van verwijtbaarheid. Gelet hierop heeft de minister terecht beoordeeld dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
5.3.
Verminderde verwijtbaarheid leidt conform de uitspraak van de ABRvS tot een boete van 25 % van het normbedrag. Ook heeft de minister terecht een matiging van 12,5% toegepast vanwege aanvullende maatregelen die genomen zijn ná de overtreding. De boete is daarmee correct vastgesteld op € 1.750,-.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden, nu het voornemen tot het opleggen van een boete al dateert van 7 november 2023. Vanwege deze overschrijding van de redelijke termijn dient nog een matiging van 5% te worden toegepast. De rechtbank stelt de boete daarom vast op € 1.662,50.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep inmiddels is verstreken, waardoor de boete gematigd dient te worden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
6.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 1.662,50.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor van 0,5). De wegingsfactor bedraagt 0,5 omdat alleen een proceskostenvergoeding wordt toegekend in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6.3.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 3 april 2025;
  • herroept het primaire besluit van 4 december 2023;
  • bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 1.662,50 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.