Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Indien dit gebruik voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, dan is het op grond van artikel 19.2, onder c, van het Bestemmingsplan verboden om dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Op grond van artikel 19.2, onder d, van het Bestemmingsplan is artikel 19.2, onder a, van het Bestemmingsplan niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
In de eerste plaats valt verhuur van de woning als recreatiewoning binnen de definitie van ‘Wonen’ van het Bestemmingsplan. Deze vorm van verhuur en het eigen gebruik als tweede woning hebben een vergelijkbaar duurzaam karakter. Bovendien wordt gebruik als tweede woning in de gemeente Schouwen-Duiveland aangemerkt als ‘recreatief gebruik’ op grond van de Huisvestingsverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2023-2027 (Huisvestingsverordening). Gelet op de Huisvestingsverordening concludeert eiseres daarom dat een tweede woning recreatief mag worden gebruikt en mag worden verhuurd als recreatiewoning. Ten tweede wordt de woning slechts voor drie maanden per jaar verhuurd als recreatiewoning. Voor de rest van het jaar wordt de woning gebruikt als tweede woning en dat is toegestaan volgens het Bestemmingsplan zodat het hoofdgebruik daarmee in overeenstemming is. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 oktober 2019 waaruit volgt dat incidentele of ondergeschikte verhuur niet in strijd is met de woonbestemming. [2] Tot slot vindt eiseres een algeheel verbod van recreatieve verhuur in strijd met de dienstenrichtlijn en blijkt uit het airBnB-beleid van grote gemeentes dat recreatieve verhuur verenigbaar is met de woonfunctie.
De rechtbank volgt de stelling van eiseres dat het verhuren van de woning als recreatiewoning voor drie maanden per jaar valt onder het begrip ‘wonen’, niet. De woning staat door de verhuur namelijk ten dienste aan steeds wisselende huishoudens of zelfs groepen die geen huishouden zijn. Hoewel in het Bestemmingsplan niet is gedefinieerd wat onder een huishouden wordt verstaan, duidt dat begrip op continuïteit en onderlinge verbondenheid en wordt een huishouden dus gekenmerkt door een duurzaam samenleven. Eiser handelt met de recreatieve verhuur van de woning daarom in strijd met artikel 10.1 van het Bestemmingsplan. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de ruimtelijke uitstraling van een woning die meermaals aan wisselende personen verhuurd wordt, anders is dan die van een woning waar steeds hetzelfde huishouden verblijft. Het bestaan van de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ is daarbij een (extra) aanwijzing dat de gemeenteraad expliciet heeft bedoeld om een recreatiewoning (en dus recreatieve verhuur) te onderscheiden van het normale wonen in een woning. De stelling dat de verhuur alleen plaatsvindt voor drie maanden per jaar, maakt dit niet anders. De omstandigheid dat in de overige maanden geen sprake zou zijn van strijdig gebruik, verandert immers niet dat het gebruik (in ieder geval) voor drie maanden per jaar in strijd is met het Bestemmingsplan. De rechtbank volgt de verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de ABRvS van 23 oktober 2019 ook niet. Deze uitspraak ziet op een andere gemeente waar een zogenaamd ‘airBnB-beleid’ gold en waar de ABRvS oordeelde dat de recreatieve verhuur in strijd was met het bestemmingsplan (en het beleid).
De verwijzing naar de Huisvestingsverordening is in dit geval verder niet relevant voor de beoordeling of sprake is van een overtreding. Het college heeft immers een last onder dwangsom opgelegd voor gebruik in strijd met het Bestemmingsplan. De last is niet opgelegd wegens (eventuele) strijd met de Huisvestingsverordening die namelijk ziet op het al dan niet onttrekken van woningen aan de woonruimtevoorraad.
Eiseres heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij de woning verhuurt als recreatiewoning aan vrienden sinds zij eigenaar is geworden. Als tegenprestatie vroeg zij (meestal) om een vergoeding van gas, water en licht of soms een fles wijn. Vanaf de coronaperiode 2021 is eiseres de woning als recreatiewoning via een tussenpersoon gaan verhuren, met als tegenprestatie een huurprijs. Als bewijs van de verhuur van haar woning als recreatiewoning verwijst eiseres naar ondertekende verklaringen van huurders vanaf 2013. Ook doet eiseres beroep op het feit dat zij forensenbelasting betaalt voor de woning
.
Eiseres verwijst ten slotte naar de omgevingsvergunning voor het pand [adres 2] waarmee het college recreatieve verhuur voor dit pand heeft gelegaliseerd. De woning van eiseres moet hier ook in aanmerking voor komen.
Het college heeft tijdens de zitting bevestigd dat de gemeente tijdens de totstandkoming van het huidige Bestemmingsplan onderzoek heeft gedaan naar de woningen waarvoor toeristenbelasting werd afgedragen. De rechtbank begrijpt uit deze toelichting dat deze woningen uiteindelijk de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ hebben gekregen in het huidige Bestemmingsplan. Het afdragen van toeristenbelasting gold bij de totstandkoming van het huidige Bestemmingsplan dus als maatstaf om te bewijzen dat sprake was van recreatieve verhuur. Tijdens de zitting heeft het college het standpunt ingenomen niet bekend te zijn met een andere wijze waarop recreatieve verhuur kon worden aangetoond. De rechtbank is van oordeel dat het afdragen van toeristenbelasting als maatstaf voor de beoordeling of sprake is van recreatieve verhuur als redelijk moet worden geacht. Het is immers een gemakkelijk te bewijzen en ook objectief te toetsen maatstaf. Ook bij een beroep op het overgangsrecht mag het college deze maatstaf toepassen. De verklaringen van vorige huurders voldoen niet aan deze maatstaf. Eiseres heeft met die verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat zij de woning verhuurde als recreatiewoning vóór de inwerkingtreding van het huidige Bestemmingsplan in 2016. Daardoor is geen sprake van bestaand gebruik zoals bedoeld in artikel 19.2, onder a, van het Bestemmingsplan.
De omstandigheid dat eiseres forensenbelasting betaalt, maakt het voorgaande ook niet anders. Eiseres kan hiermee slechts aantonen dat zij haar hoofdverblijf niet heeft in de gemeente Schouwen-Duiveland en dat zij meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning ter beschikking heeft. Hiermee kan niet worden bewezen dat de woning werd verhuurd als recreatiewoning.
Eiseres verwijst als bijzondere omstandigheid om af te zien van handhavend optreden ook naar de parlementaire geschiedenis van de Wet toeristische verhuur (1 januari 2021). [8] Deze wet biedt betere instrumenten om de negatieve effecten van toeristische verhuur van woonruimten te bestrijden dan een last onder dwangsom.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
1°.de last volledig is uitgevoerd,
2°.de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°.de last is opgeheven.