ECLI:NL:RBZWB:2026:209
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding na overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.793 die de inspecteur had opgelegd na een hertaxatie van een Porsche Macan 3.0 S. De inspecteur stelde dat de verschuldigde BPM hoger was dan door belanghebbende opgegeven, omdat de herleidingsmethode niet toepasbaar was en geen waardevermindering wegens schade kon worden erkend.
De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast conform een arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. Daarnaast heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade, terwijl de inspecteur de schadeposities gemotiveerd heeft betwist. De naheffingsaanslag is daarom terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.
Belanghebbende heeft tevens een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat de termijn met ongeveer 16 maanden is overschreden en kent een vergoeding van € 1.500 toe, waarvan de helft voor rekening van de inspecteur en de helft voor de Staat komt. Ook worden proceskosten voor het indienen van het verzoek gedeeltelijk toegewezen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding toe en veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.