ECLI:NL:RBZWB:2026:210

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/11076
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.725 opgelegd door de inspecteur, die uitging van een hogere waardering van een BMW X3 M40i dan belanghebbende had opgegeven. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de inspecteur de aanslag terecht en correct heeft opgelegd.

De kern van het geschil betrof de toepasbaarheid van de herleidingsmethode en de waardevermindering wegens schade aan het voertuig. De rechtbank verwierp het beroep op de herleidingsmethode op basis van een recent arrest van de Hoge Raad. Daarnaast heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de schade aan de auto meer dan normale gebruiksschade betrof, zodat de forfaitaire afschrijvingstabel van de inspecteur leidend bleef.

Verder werd het beroep mede geacht betrekking te hebben op de belastingrente, waartegen geen zelfstandige gronden waren aangevoerd. De rechtbank wees het beroep daarop af. Wel werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer tien maanden, waarvan € 100 voor rekening van de inspecteur en € 900 voor rekening van de Staat. Tevens werden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde de inspecteur en de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten, en wees het griffierecht af omdat het verzoek na een relevant arrest van de Hoge Raad was ingediend.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11076
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.725 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 16 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 8 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW X3 M40i SUV met VIN-nummer [nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 6.472.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 12.197 bedraagt op basis van forfaitaire afschrijvingstabel. Gelet hierop heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

4.3.
Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
Herleidingsmethode
4.4.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
4.5.
De bewijslast voor de handelsinkoopwaarde rust op belanghebbende. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in haar aangifte is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 24.155. Uitgaande van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 47.303 en de door belanghebbende bepleite waardevermindering wegens schade van € 6.834 (72% van € 9.491) zou de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 40.469 en niet € 24.155 bedragen.
4.6.
Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat dit verschil wordt veroorzaakt doordat de taxateur rekening heeft gehouden met de herleidingsmethode. Nu de rechtbank deze reeds heeft verworpen gaat zij aan deze waarde voorbij. Ook met hetgeen belanghebbende voor het overige heeft verklaard heeft zij in elk geval niet aannemelijk gemaakt dat de waarde lager moet worden vastgesteld dan € 40.469. De rechtbank zal hieronder beoordelen of en in hoeverre belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat schade in aanmerking moet worden genomen.
Waardevermindering wegens schade
4.7.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 9.491 en deze voor 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. In het beroepschrift is met name gewezen op schade van in totaal € 1.728 waarvan 72%, zijnde
€ 1.244, die naar de mening van belanghebbende in elk geval in mindering moet komen op de handelsinkoopwaarde. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Voor zover de in het beroepschrift uitgelichte beschadigingen al zouden moeten worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade, dan constateert de rechtbank dat dit bedrag aan schade niet zou leiden tot een vermindering van de naheffingsaanslag. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt mee dat de toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel, waarop de naheffingsaanslag gebaseerd is, voordeliger is.
Hoogte naheffingsaanslag
4.9.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag opgelegd.
Belastingrente
4.10.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Immateriële schadevergoeding
4.11.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 april 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 20 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 10 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
4.13.
Omdat de bezwaarfase afgerond 7 maanden heeft geduurd en daarmee 1 maand te lang, komt 1/10 deel, derhalve € 100 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 900 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. [3]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 100;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 900;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 20 januari 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.